De schil verstikt de vrucht – over de onzichtbaarheid van Wageningen

Ik ging als een vreemde langs Wageningen en een vreemde ben ik gebleven. Ik was en bleef buiten, binnen bleef ver weg. Mijn verslag, hieronder, heb ik genoemd De schil verstikt de vrucht. Daarmee bedoel ik dat een buitenkant soms een binnenkant in het nauw brengt. Terwijl het om die binnenkant gaat. Een schil moet beschermen, niet verstikken. En je moet aan een schil kunnen zien wat er in zit, dat moet geen raadsel zijn. Wat dat betreft is er in Wageningen werk aan de winkel. Dat zou je niet zeggen als je er woont, Wageningen is Wageningen, dat is een duidelijke zaak. Maar hoe denken anderen daarover? Hebben ze wat met die stad? Zien ze haar zitten, letterlijk en figuurlijk? Willen ze er zijn, werken, winkelen, zich ontspannen? Dat zou toch voor veel sectoren van onze stad een voordeel zijn.

Welnu: Er loopt een belangrijke weg door de stad, de N 225, van Arnhem naar Utrecht. Ik ben hem laatst alsof ik een vreemde was per fiets en per auto gegaan, Wageningen in en er weer uit. Dat heb ik ook gedaan vanaf het Lexkesveer en over de Grebbedijk. Dat was niet gezellig, het leek wel of het Wageningen geen fuck kon schelen of ik in de buurt was of niet. Je hebt van die stripverhalen van Lucky Luke, die cowboy die in het Wilde Westen alsmaar boeven vangt. Als ie op zijn trouwe paard zo’n onguur stadje nadert zie je altijd een plaatsnaambord met een gier erop. Meestal zitten er kogelgaten in, of is er geturfd hoeveel mensen daar zijn neergeschoten. Er staan ook altijd heel ongastvrije leuzen op die borden. En toen ik onze stad binnenkwam, kwam spontaan ook zo’n leus bij mij op: “Vreemdeling, als je Wageningen kunt lezen ben je te dichtbij!”. Neem een fietsende toerist of een zwaar bepakte kampeerder, of een miljonair op een heel duur exemplaar, die eens rondkijkt waar ie zijn centen zal investeren; daar komen ze aan, uit Renkum, of uit de Betuwe via het Lexkesveer. Wat gebeurt er onderaan de Wageningse Berg als Wageningen je bestemming is? In een hooghartig zwijgen word je die hele bult opgestuurd en aan de andere kant er weer af, om bij het centrum te komen. Terwijl je, als je Rhenen of Opheusden in je hoofd hebt, door die rode fietsbordjes uiterst hoffelijk onderlangs de berg langs Wageningen wordt geleid, over de Veerweg, over die prachtig vlak liggende Grebbedijk, langs die schitterende uiterwaarden. Dan kun je de kerktorentjes van Wageningen bijna aanraken! Maar, het is duidelijk dat we dan nog steeds liever niet hebben dat je binnenkomt, want de eerste aanduiding van een aardig restaurant of cafeetje, of iets over het interessante van Wageningen, moet nog worden bedacht. En als er al een pijl komt met “tourist information”, dan staat in de eerste plaats het paaltje scheef – de droefheid ten top! – en houden die bordjes ergens in de stad gewoon op.

Waar je onderweg niet omheen kunt zijn de borden met Wageningen, city of life sciences. Ik sta weliswaar achter de universiteit maar ik vind het pedante bordjes. Ze bedoelen de wereld te omarmen maar ze sluiten eigen mensen uit. Liever zag ik Stad van Levenskunst staan maar dat vindt de wetenschap vrees ik niet goed. Want daar zijn ze niet voor. De hoogste tijd dus voor nóg eens een prijsvraag over een Nederlands motto voor Wageningen, maar deze keer svp wel met een flinke prijzenpot want creatievelingen zoals mijn collega’s en ik leven niet van de wind al denken velen van wel. Maar daar hebben we het nu niet over.

Terug nu naar die vreemdeling die Wageningen binnenkomt – dáár zouden we eens een prijsvraag over moeten maken, een opstelwedstrijd “Wageningen door de ogen van de ander”! “Vreemde ogen dwingen”, zeggen ze, nu, laat ze ons maar eens een spiegel voorhouden. Die vreemdeling dus, ontzettend investeergeil of met vreselijk zin in koffie, een hapje eten, een complete keuken of een opleiding, of met een schreeuwende behoefte aan cultuur, of met een zere kies, die nadert dus onze lieve stad en er is niemand die het woord tot hem richt. Vanuit Renkum, heeft ie bij de ingang van de stad voor het stoplicht kunnen mijmeren over de vergankelijkheid der dingen, treffend uitgebeeld door de ruïne van Kirpestein, en als ie dan met z’n auto verder sukkelt is rechts het busstation en links een sombere rij flats en winkels uit de jaren ’60. Dat is de wederopbouwtijd, toen er vooral snel en meestal lelijk moest worden gebouwd. Die vier blokken flats doen mij altijd denken aan nachtportiers die ongewenste klanten weren, ofwel, in dat prachtige Vlaams, “buitenwippers”. Dát zijn het, buitenwippers! Ook hier niets of niemand met een aanmoediging om die buitenwippers te trotseren, en op de tast op zoek te gaan naar iets aardigs.

Kwam je van de andere kant, uit Rhenen, dan heb je eerst heel landelijk langs de rand van het Binnenveld gereden, daarna door die mooie Lawickse Allee, en dan wordt middenin Wageningen je oog gepijnigd door een vervallen garagepand met mos, spinnenwebben en gebarsten ruiten, en met een schreeuwerig spandoek over de verkoop van wijn. Niet even, maar al vele jaren! Eigenlijk een markant pand, Van der Kolk, op een heel mooi punt, geen grove buitenwipper maar in feite een zachte overgang naar het centrum, iets eigens, iets om te behouden zoals wij van Wageningen Monumentaal al jaren roepen. En bijna, bijna, zou je daar ook al onze stadsgracht kunnen zien, die gracht waar wij zo trots op zijn. Maar wij onttrekken hem aan het oog door hem te laten dichtgroeien met struiken, bomen, muurtjes en gebouwen.

Maar vooruit, ik ben wel 62 maar wil desondanks geen zeurpiet zijn, ik stop met klagen: Die vreemdeling vat dus moed en rijdt het centrum in. Zo ook de reiziger die over de Grebbedijk vanuit Rhenen is gekomen, twee leuke jachthavens heeft gemist wegens een gebrek aan borden en een teveel aan parkeerverboden, en bij Grebbedijk 6 even heel erg is geschrokken van de vergankelijkheid der dingen – notabene een Rijksmonument – en van de kennelijke onverschilligheid der autoriteiten. Afijn, ondanks dit alles rijden ze Wageningen binnen en parkeren hun auto of fiets. Dan is mij werkelijk wáár gebeurd dat een stel mij op een parkeerplaats vroeg “Meneer, kunt u ons zeggen waar hier het centrum is?”. Vervolgens is mij al even wáár overkomen dat ik bij het postkantoor, aan het Plantsoen, stond, let wel, en dat een heel groepje mij getergd vroeg waar toch die schouwburg Junushoff was. Bij het postkantoor, vijftien meter van het theater!

Hoe anoniem Junushoff er uitziet vind ik een van de ergste blijken van zelfgenoegzaamheid in de hele stad. Junushoff – dat je alleen kunt bereiken als je die plek toevallig kent – is een schoolvoorbeeld van een door zijn schil verstikte vrucht. Ooit hebben de projectontwikkelaar en de architect met rode konen een zogenaamde “commerciële schil” om deze cultuurtempel getekend. Maar de droeve werkelijkheid is dat het hele theater er onzichtbaar door is geworden, het wordt er door verborgen en gesmoord. En de ergste werkelijkheid vind ik, dat dit theater net doet of er niets aan de hand is. Huizenhoge wanden hebben ze aan de ene kant, die zich strak tegen de hemel aftekenen, en een reuzenglasgevel boven het restaurant aan de andere kant, maar ze doen er niets mee. Zo stonden in de warenhuizen in Oost-Europa vroeger de verkoopsters als zoutzakken bij hun waar. Het maakte immers niet uit, de staat betaalt…

Wel, het is misschien hard wat ik gezegd heb maar hopelijk ook een beetje leuk en interessant. Want ik meen het natuurlijk goed met deze plaats, daaróm juist. Wat ik over en ten behoeve van dit theater heb geroepen geldt ook voor veel ander moois dat onze stad te bieden heeft. Dus: Laat vreemde ogen maar eens dwingen, laten we zonder vooringenomenheid luisteren, en laten we ervoor zorgen dat die vrucht die Wageningen is, gevonden en genoten kan worden door iedereen van goede wil.

(Deze tekst werd op 6 oktober in het Cultureel Café gebracht als een gesproken column.)

Laurens van der Zee (www.laurensvanderzee.nl) is niet-westers socioloog, oud-UNESCO voorlichter, dichter en muzikant, onder meer in de Wageningse folkgroep Folkcorn (1973). Hij is bestuurslid van Wageningen Monumentaal, vereniging voor stadsschoon, en van het Platform Beroepskunstenaars Wageningen.

Kunst en mutt

Vrouwelijk ongenoegen zindert door je huis, een draadloos modem is er niets bij, de vuvuzela een babyboertje. Je kunt er, kortom, niet omheen. Zo is het en zo was het, tenminste als je mijn vader moest geloven want volgens hem stond het al in de Bijbel: “Het is beter op de hoek van een dak te wonen dan in huis bij een kijvende vrouw”. Wij dachten daar het onze van, hij had er een handje van de Bijbel luchtig te bewerken. Had hij immers niet ons moeder versierd met de zogenaamd bijbelse spreuk “Hoe kan één alleen warm worden”? Zij kon zich die passage zo snel niet herinneren maar het maakte niet uit, ze was toch al van plan op alles ja te zeggen. En daar kwamen vier kindertjes van, zeg maar vijf want ik telde voor twee. De anderen vonden dat van zichzelf kennelijk ook want het was vroeger bij ons een drukte van belang, mijn moeder liep er dikwijls van te zuchten. Vooral – en het spijt me dit te moeten zeggen – omdat we over het lulligste huishoudelijke taakje nog ruzie maakten. En nu komt het: Ik was de enige die zich van haar teleurstelling wat aantrok. Uit de verhalen die mijn ouders over onze jeugd vertelden zegt er één genoeg: Als kleuter was ik zó gevoelig voor mijn moeders stemmingen dat ik, wanneer zij deed of ze moest huilen, prompt in tranen uitbarstte. Het is nu zestig jaar later, ik heb een flink maar onbekend deel van mijn leven gehad – al voelt het soms of ik nog in de aanloop zit. Als ik zoek naar mijn allerdiepste drijfveer om dingen te doen of te laten, in mijn spelen, liefhebben, leren en werken, dan was onbewust misschien mijn grootste zorg de vraag: “Is mammie boos?”. Dat is schrikken. Hoogstens kan ik, ‘als mijn onbevreesd erkennen mij verwijst naar de verdorden’ (J.C. Bloem), aanvoeren dat jezelf kennen stap één is naar je beteren. Nog een voorbeeld: Met de gestoorde poes van de buren – een aandoenlijk diertje dat in een eigen wereld leeft – kreeg ik eindelijk contact door haar ’s morgens aan mijn keukendeur wat kaas te geven. Plots mag ik haar niets meer geven omdat de studentenbaasjes aan een allergietest begonnen zijn. Haar gepiep aan mijn deur snijdt nu door mijn ziel. Als zij in de buurt is blijf ik weg uit de keuken, de daaruit voortvloeiende ontregeling van mijn huishouden ten spijt. U ziet: Voor moed moet je niet bij mij zijn, ik ben van het straatje om. Vergezichten, gesprekken, de lach en de traan kom je daar tegen maar het feit blijft: ik ben een straatje omgegaan. Diplomaat ben ik dus terecht niet geworden, ik begin al met inleveren als de onderhandeling nog moet komen. Maar zelfs voor kunstenaar ben ik misschien niet in de wieg gelegd want al scheppend kijk ik over mijn schouder, heb daar eens dit over gedicht: Ik schrijf over niets bijzonders / de staat zal niet steigeren / mijn moeder zal niet blozen / mijn vader, had hij tijd van leven gehad / was dit onderwerp niet uit de weg gegaan / mijn broers, mijn zuster / zouden geen aanleiding zien voor een topberaad, / er is, kortom, niets aan de hand […]. Nu is het ook weer niet zo dat ik nooit eens raar doe, als dichter schrijf en roep ik af en eens iets geks, en ik sta zelfs vooraan in een tamelijk aparte band waarin ik met een speelgoedzaagje een blok hout te lijf ga, of rondloop met een handvat zonder koffer. Maar dat komt voornamelijk doordat de andere jongens nog grotere angsthazen zijn dan ik. En mensen, het is zo veilig als wat! Na afloop gaat het loketje met “kunst” erop dicht en gaan we gewoon weer naar huis. Terwijl kunst in duizendvoud de straat op moet om de mensen uit hun verstarring te helpen.

Nee, dan Marcel Duchamp, die in 1913 de gevestigde kunsten schokte met een fietswiel en in 1917 voor een expositie een urinoir inzond, gesigneerd met R. Mutt. En neem het handjevol Hollandse Dadaïsten plus kornuiten uit het buitenland, die begin 1923 de burgerij shockeerden met hun krankzinnige optredens; de woede der recensenten deed het zetsel smelten. Hoogstwaarschijnlijk was ook ik geschokt geweest, net zoals ik in ’49 met de massa mee het verlies van “Ons Indië” zou hebben betreurd – ik vind het nóg wel eens jammer, eerlijk gezegd, ik ben nu eenmaal een verzamelaar. Maar nu zijn ze mijn helden, die Dadaïsten en Surrealisten, ik lees over ze met vreugde, bewondering en ontroering omdat zij, alles trotserend, de weg voor ons hebben vrijgemaakt, zoals andere helden dat in andere tijden deden. Want hoe beklemmend is niet de norm en dus ook de norm in ons hoofd? We vinden toch allemaal de Eiffeltoren mooi en wie eraan komt een barbaar? Luister dan eens naar Gabrielle Buffet-Picabia, kringgenote van Picabia, Duchamp, Apollinaire, Braque, Man Ray en Satie, tijdgenote van Citroen, Van Doesbug, Hülsenbeck, Tzara, Schwitters en vele anderen uit die moedige scene aan het begin van de twintigste eeuw. In februari 1977 bezochten K. Schippers, Betty van Garrel en Philip Mechanicus haar in Parijs voor een artikel in hun tijdschrift Hollands Diep, zij was toen 96. Ze zei: ‘Weet u, er zijn van die dingen waar u zich geen rekenschap van geeft, omdat u in dit nieuwe leven bent gekomen toen het al georganiseerd was. Stelt u zich eens voor: de Eiffeltoren was een schandaal, een groot schandaal. Ik heb schilders gekend die zich een eed hadden gezworen om hem niet te zien. Ze draaiden zich om, een dergelijke gruwel…Het was een belediging voor de hele Franse cultuur.“ (In: K. Schippers “De bruid van Marcel Duchamp”, Querido, Amsterdam – Antwerpen 2010).

Van het beetje dat ik weet van echte groten springen twee dingen voor mij eruit. 1: Ze gingen hun gang. 2: Ze leefden in een ondersteunende gemeenschap. Niet de staat, het dorp of de familie, maar een kring van vrienden en talenten, een wereld waarin ze konden groeien, zich uiten en zich voeden, ook als ze werkten in afzondering.

Heb ik dat, ben ik dat? Zijn wij een voedende kring voor elkaar? Gaan wij eigenlijk wel genoeg onze gang? Dienen wij de Muze wel met voldoende moed?

Laurens van der Zee voor cultuurinwageningen.nl, juli 2010.

Speculatie staete, de Wageningse sensatie

Met een ladder, een onschuldig gezicht en een omweg bewogen mijn vriendin en ik ons over het ijs van de lange winter. Het was koud, nacht en Wageningen, het moet zo’n twee maanden terug zijn geweest. We hadden ingestudeerd wat we zouden zeggen als de politie langszij kwam en vroeg ”Wat zijn wij met die ladder, dat onschuldige gezicht en die omweg aan het doen, zo midden in de nacht in deze fraaie stad? “. We wisten dat we onze ingestudeerde smoes geen seconde overeind konden houden. Daarvoor zijn wij te gewoon. Wij doen ons ding – toegegeven, dat zijn er meer dan één – en proberen met zo weinig mogelijk complicaties zoveel mogelijk geluk rond te strooien. Maar gehaaid of brutaal kun je ons niet noemen. Daarom gingen wij peentjes zwetend door de nacht. Want wij gingen iets onreglementairs doen, iets wat waarschijnlijk niet mocht. Iets, waar vast wel een of twee meneren boos over zouden worden. Immers, behalve die ladder droegen wij een vuilniszak. En in die vuilniszak zat een Aanklacht. Het was een naambord dat wij zelf hadden bedacht en geschilderd. Bij de ruïne van Kirpestein hielden wij halt. Al jaren vervuilt de ruïne van Kirpestein de oostelijke entree van Wageningen. En de westelijke vanuit de Churchillweg er nog bij. Bijna iedereen die in de “Estafette van Wageningen” in de krant komt, noemt Kirpestein de lelijkste plek. Puin, onkruid, scheve hekken en een bouwval die puur uit berekening overeind wordt gehouden, wekken al jaren de indruk dat wie Wageningen binnenkomt alle hoop moet laten varen. Daar zijn Anneke en ik het niet mee eens want wij vinden Wageningen minstens zo goed als alle andere plaatsen en eigenlijk nog veel beter, als je in de juiste circuits zit. En geluksvogels die we zijn, wonen we ook nog es zo leuk dat je wel gek bent om te vertrekken. Trouwens, muzikaal en dichterlijk bekeken kunnen we dat Wageningen natuurlijk ook niet aandoen. Vandaar dat wij nu uit beschaafde woede een echte Actie gingen plegen. Anneke hield de ladder vast en ik klom met ons naambord naar boven, hamer en spijkers als een zeerover tussen de tanden. In het bord hadden wij thuis al gaatjes geboord zodat we snel klaar zouden zijn en onmiddellijk de Plaats Delict konden verlaten. De voegen die ik onopvallend langsfietsend als zacht had ingeschat, bleken van vooroorlogse degelijkheid, het leek wel beton. Met al mijn kracht heb ik dus in die nacht, in die kou, met die hamer moeten beuken om ons bord te doen beklijven. Het is een mooie vlammende aanklacht geworden, een die in zijn onverbloemdheid, gemengd met dodelijke ironie, de schuldigen het schaamrood op de kaken zal jagen. Haast u, lees en huiver: SPECULAETIE STAETE is voortaan de naam van die puist. Afijn, met kloppend hart naar huis, wachten bij de telefoon op reacties van vrienden. Ze zouden direct zien dat wij daar achter zaten. De verschijning van deze aanklacht zou door Wageningen gaan gonzen, in de media, zelfs in de politiek, en de vraag wie achter deze stunt zit zou het gesprek van de dag zijn. Wij niks zeggen natuurlijk. We hebben gewoon onze burgerplicht gedaan. Het ging ons niet om de eer, wij zijn gewoon…, afijn zie boven. Nou ja, enkele weken gewacht. Mail gecheckt en dubbel gecheckt. Niets. Alle kranten gelezen. Niets. Paar keer langs de Churchillweg gelopen. Rust. Ons begeven tussen de boodschappende menigte bij Albert Heijn, de uitbuikende verlaters van de nieuwe Indonesiër, zelfs op de hoek hondenbrokken gekocht al lust ik ze niet. Ja hoor, het hangt er wel degelijk protest te wezen, je kunt er gewoon niet omheen. Vinden wij. Zeg, in wat voor een stad leven we eigenlijk?

– Laurens van der Zee

Recept voor stadsgat gevuld met kunst op een bedje van liefdewerk

Zet “te koop” bij een bank en verkoop hem niet. Breek alles er uit tot de vloertegels toe. Sloop het water er uit, de warmte en de stroom. Sjouw massa’s grint, cement en zand naar binnen om van voor af aan te beginnen. Doe dat niet. Laat de ruïne leeg staan en verlies rente op rente. Vraag misschien wel teveel. Vraag zeker te veel. Vraag ook voor verhuur te veel in deze tijd. Geef iedereen de schuld van dit gat in de straat. Ga met collega-vastgoedbazen met de rug naar de stad en de armen over elkaar je gelijk staan halen, maanden, jaren. Er komen steeds meer gaten in de stad. Want de eigenaars willen geld zien.

Luister naar een dynamische krullenbol van begin veertig. Idiote broek maar hij weet wat hij wil. Hij wil jouw bank. Voor vrijwel niks nog wel! Onze mooie, lege bank! Gepokt en gemazeld maak je een contract, een contract met maren. Als de bank om 23.41 uur verkocht wordt, moet hij er 23.51 uur uit zijn met z’n kunst. Geen probleem, zegt krullenbol. Contract getekend. Zowaar borgsom op tijd betaald. Veertien kunstenaars of beter gezegd de bestuursleden van die veertien kunstenaars, krullenbol voorop, sjouwen veertien ton bouwmateriaal en tien gepantserde deuren het pand uit, de tuin in, de kelder in. Mollen minstens één stofzuiger op die pokdalige vloer. Boorhameren zich een hernia in de strijd met  plafondbeton, waar spots aan latten komen. Krullenbol en een serieuze vriend lassen een tafel van tien meter. Strak! Hangen er closetpotachtige lampen boven. Koel! Kunst er in, duizend mailtjes er uit. Opening vol, iedereen er bij, iedereen blij. Dikke 8 van de kranten. Dank je wel ondernemers-die-toch-naar –kunstenaars-geluisterd-hebben! Hulde  krullenbol-voorzitter! En dank bij voorbaat, let wel bij voorbaat, gemeente Wageningen en ware ondernemers, voor het in de toekomst wéér naar ons luisteren. In 2010 en verder. En voor nu: “Stadsgat met kunst op een bedje van liefdewerk” ofwel de expositie “Anders Bekeken” is nog elk weekend te genieten tot 15 februari, aan Bergstraat 24 in Wageningen. Inlichtingen: www.beroepskunstenaars.nl.

Laurens van der Zee is dichter en muzikant,  en bestuurslid van het thuisloze Platform Beroepskunstenaars Wageningen. Als columnist schrijft hij op persoonlijke titel.

De kunstenaar, de winter en de staat

Een onthulling en een oproep door Laurens van der Zee

Dichters worden stiekem door de Staat gesteund om lyrisch te schrijven over de seizoenen. Dit voorkomt dat het volk mort en massaal aan het emigreren slaat. Niemand houdt immers van de herfst en de winter, laat het altijd maar zomer zijn en af en toe een lente. Behalve voor de schaatsers, nog. Maar dat houdt wel op. De natuurijsvreters zijn een restje, ze vergrijzen en sterven uit. Door geleidelijk de wintertemperatuur te verhogen (niet teveel ineens) krijgt de overheid die groep er onder. De rest is inmiddels verslaafd geraakt aan overdekte banen, ze weten gewoon niet beter meer. Terug naar de dichters: Roerende gedichten en spannende verhalen leren ons hoe stoer het is om op de fiets een herfststorm te trotseren – denk aan het door de geheime dienst geconcipieerde “Onder moeders paraplu”- en hoe heerlijk het is om met z’n allen een sneeuwpop te maken. Op goed geregisseerde momenten zie je dat soort beelden steevast verschijnen in de bladen en op het Journaal. Dus roepen we in koor: “Jottem dat we in dit landje mogen wonen. Weet je wat? We blijven!”. Maar vergis je niet, die media worden allemaal betaald. Ook de scholen trouwens: Onderwijzers leren al vroeg iets door de chocolademelk te doen zodat de kinderen er tijdens hun zogenaamde ijspret blij, zeg maar opvallend blij, zeg maar gerust manisch uitzien. Trouwens, niet alleen de dichters, de bladen, fotografen, onderwijzers en de TV worden betaald, ook schilders en andere beeldend kunstenaars. Hoe dacht je anders dat die konden leven? Is altijd al zo geweest, ook Breughel en zijn kompanen kregen geld want toen was de overheid al net zo bang als nu. Later, in de VOC-tijd was het precies zo, het had maar een haartje gescheeld of heel Nederland was opgepakt en neergepoot in Indonesië. Daar was het tenminste warm. Hadden we bijna “Indisch-Nederland”gehad in plaats van “Nederlands-Indië”. Maar toen is er massale staatssteun (ja, toen al!!) gestoken in schilders, beeldhouwers en tekstschrijvers ter verheerlijking van de vier seizoenen, de winter voorop, ze hebben correspondenten uit de Oost gruwelverhalen laten sturen over slangen, besmettelijke ziektes en onbeleefde inlanders, en is het tij nog net gekeerd. Maar over Breughel gesproken: Het sterft van de doekjes van Vlaamse en Hollandse meesters waarop je kinderen en volwassenen zich zogenaamd geweldig ziet vermaken op gruwelijke ijsvlaktes omringd door krotten waar geen hond meer in wil wonen. En blij dat we zijn! Reken maar dat er eerst heel wat gesubsidieerde rum door die kelen is gegoten. Buiten beeld legden ze de gewonden neer: Afgesneden vingers door zo’n primitieve schaats, totale verlammingen door een val op hun stuitje, hysterische kinderen met onstuitbare bloedneuzen, lui die met elkaar op de vuist gingen omdat de een meer Staatsrum had genoten dan de ander, noem maar op. Sowieso nog een gelukje dat die schilderijen stom zijn want het gekerm was natuurlijk niet van de lucht. Trouwens, wat ik altijd zo vreemd heb gevonden is, dat schilderijen stom gebléven zijn! Heel anders dan bij de film. Na de “stomme film”, zeg maar het Stenen Tijdperk, kreeg je vanzelf de pratende film, logisch ook. En na de krassende pen en de ratelende Remington kwam vanzelf de welluidende computer. Ook al weer logisch. Maar de schilder, hij ploeterde voort en nog steeds komt er geen spatje geluid van zijn doek. Schilder, word wakker! De moderne technologie is allang zo ver! Met een beetje prutsen kun je makkelijk bij een schilderij als je bijvoorbeeld op een vogel drukt “twiet” horen, en op een auto “toet”. Hadden ze dat eerder gedaan, dan had je bij die figuren van Modigliani kunnen horen “au m’n nek!” en bij Giacometti’s magere beeldjes “een Hemaworst alstublieft!”. En bij een Picasso “dokter, help!”, want die lui zitten meestal erg in de knoop. En geloof maar niet dat die kindertjes uit Breughel’s tijd tegen mekaar riepen hoe fijn het was om op het ijs te zijn. Als je goed kijkt zie je bijna zo’n knul tegen zijn kleine buurmeisje sissen “en je houdt je mond dat we doktertje hebben gespeeld!”. En een wankel besje moppert dat de AOW nog steeds niet is uitgevonden, ik noem maar wat. Te laat nu, maar wel een gemiste kans voor de hedendaagse kunstenaar. Geluid, dames en heren beeldend kunstenaar! Multimedia! Laat de storm gieren, de sneeuwbal suizen, de regen kletteren en de poppetjes tieren. Je kunt het! Doe op het canvas dan ook een keukenmeid gillen en champagne knallen en verzin een geluidje voor de glühwein want daar ben ik gek op als het buiten zo koud is dat je je adem ziet, mooi eigenlijk, zou ik niet willen missen, ja ze hebben mij te pakken, de Staat heeft zijn werk gedaan, kunstenaars bedankt!

Een paar vleugelslagen

Ik heb het gemist want ik moest factureren, maar een tijdje terug stond er wat aardigs in de krant. Een kennis kwam er mee aan, de NRC van 28 februari 2009. Over de architect Rudy Uytenhaak, die zijn visie op de stad gaf. Daar kunnen we het niet genoeg over hebben, zeker in Wageningen, een stadje dat zich al decennia ongemakkelijk beweegt tussen servet en tafellaken. Luister en huiver want dit is wat die beroemde architect heeft gezegd: Een grotestadsbewoner kijkt als een vogeltje over de rand van zijn nest en weet dat hij met een paar vleugelslagen overal kan komen. Huiver, dorpse geest! Huivert gij die Wageningen klein wilt houden! Wilt u dan eeuwig sukkelen? Waar is die nachtwinkel, dat nachtrestaurant, die muziekzaak, die echte Indonesiër, die echte Marokkaan en Mexicaan, die salon, dat kunstenaarscentrum in het hart van de stad, die trein voor dag en nacht naar de wijde omgeving, of liever andersom: waar zijn de verbindingen waarlangs kopers, cliënten en talenten elkaar verdringen om in Wageningen te mogen zijn? Welkom, nieuwe bewoners! Welkom in de Arc, welkom alvast aan de Nobelweg, aan het Salverdaplein en in de stadsuitbreiding in het Oosten, en neem je portemonnee mee! Als er onder jullie minstens 30% zijn die bij de grote zaken in onze Stad kopen en al is het maar 10% die hier naar de film gaan, uit eten gaan, een paar galeries bezoeken en kunst kopen, avonden bijwonen in de bibliotheek, de jazzkelder van het WICC of een muziekevenement in een van de betere café’s, en die prachtzaakjes in de zijstraten van de Hoogstraat binnenlopen, dan ben ik een gelukkig mens, vooral als je ook nog eens af en toe mij een tekst of gedicht op bestelling laat leveren of tegen betaling je oor laat kietelen door mijn zoetgevooisd gefluit. Want Wageningen mist nog steeds dat minimum aantal, die “kritische massa” die er voor zorgt dat er altijd wel een optochtje van voeten, ogen en pegels naar die mooie initiatieven gaat die net in de marge liggen. Die marge is het zout in de pap, vergeet dat niet. Zij is de kleur, de kwaliteit van onze Stad. Marge is trouwens “in het oog van de beschouwer”, om eens een uitdrukking uit het Angelsaksische taalgebied te annexeren. Je neemt immers waar vanuit je eigen wereld. Maar als je verzuimt om je heen te kijken kun je in de domme waan raken dat jouw wereld dé wereld is, erger nog: dat jouw dorp de wereld is, een wereld waar ze vooral niet aan mogen komen en waar al het andere, het “marginale”, vreemd is. Hoe dan ook: Elk mens voelt op z’n klompen wat een positieve leefomgeving is en wat niet – de een toont zijn ongenoegen door een bushokje te slopen, de ander door te maken dat ie wegkomt. Een positieve leefomgeving heeft alles te maken met kansen, kwaliteit en diversiteit. Kansen op een zinvol bestaan, een opleiding, een inkomen, een woning. Kwaliteit van de openbare ruimte, van de mensen om je heen, van de winkels, de podia, de schaarse monumenten die nog iets zeggen over de wortels en de identiteit van Wageningen. Diversiteit in de mensen, de gebouwen, het aanbod in restaurants en theaters, de kunsten op straat, activiteiten voor mijn part van het hele Hogere naar het hele Lagere, noem maar op. Ik hoef het niet allemaal te weten, ik hoef er niet allemaal heen. Als ik maar kan kiezen. Als ik maar even over de rand hoef te kijken en hup, een paar slagen en daar is mijn echte Stad!

Laurens van der Zee.

Laurens van der Zee is dichter en muzikant en van huis uit niet-westers socioloog en voorlichter over de VN organisatie UNESCO. Dit is zijn eerste column voor de website Cultuur in Wageningen.

En er was kunst

Binnenkort komt er een nieuwe columnist.
Ik heb het met plezier gedaan, maar een nieuwe schrijver, een nieuw geluid. Een nieuw jaar, een nieuwe columnist.

De afgelopen jaren heb ik me bezig gehouden met schilderen en tekenen. Ben ik een aantal keren van atelier verhuisd. Mopper ik daar niet meer over, omdat een klaagcultuur niet helpt. Vul ik optimistisch enquetes in over ateliers in Gelderland met de altijd, wellicht naieve hoop dat je stem laten horen in ieder geval een begin is om plekken gerealiseerd te krijgen. Ambtenarij en regels is verder niet aan mij besteed, dus dan hoop ik weer dat anderen de rol van politiek speler op zich willen nemen en dat ik alleen een beetje draagkracht te weeg kan brengen.
Ik weet inmiddels dat Wageningen heel erg open staat voor kunst. Zolang de knippen gesloten blijven. Of wellicht moet ik zelf zakelijker worden. En me beter presenteren. En ik weet niet waar nu de paal voor het vijfmeiplein gebleven is. Maar ook daar ben ik kort door de bocht. Waar een wil was, was een weg en daar ging het regelen van subsidie en afspraken ineens heel snel. En kwam iedereen in eerste instantie in actie. Waarom komt men niet in actie voor andere vormen van kunst en ziet men daar de meerwaarde niet van in? Maar voorlopig ben ik al tevreden dat ik niet weer hoef te verhuizen van atelier. Komt tijd, komt raad, komt plaats, komt een idee.

In deze tijd heb ik soms hersenstoomwolken gehad over geloven, kunst, vrijheid van meningsuiting en wat nu precies discriminatie is, als alles gebaseerd is op het recht van vrijheid van geloof. En kwam ik mijn eigen pijn en angst weer tegen. Want waar ligt de grens? Bij zeggen wat je denkt? Je mag toch zeggen wat je denkt? Realiseerde ik me dat ik me toch drukker maakte als ik dacht en me zorgen maakte over het feit dat een museum foto’s niet wil plaatsen. Nederland angstiger werd. Ik ineens politiek en kunst en een geloof vermengd zag in filmen als Fitna, cartoonisten, jonge afgevallen moslims. Het heeft me toch geraakt.
Maar ik heb mezelf teruggefloten. Je bent kunstenaar. Het enige wat je kan is een persoonlijk verhaal vertellen. Het enige waar ik me druk over moet maken is zorgen dat je schilderijen eerlijk zijn. Ik ga mijn kunst niet inzetten voor een mening, een boodschap, een roep voor vrijheid of het met politiek vermengen. Het enige wat ik wil laten zien, is een persoonlijke zoektocht. En daar hoort de strijd van een geloof bij. Niet het moslim geloof. Een calvinistisch geloof. Daar horen mijn zorgen bij. Maar ik wil het klein houden en bij mijn eigen geschiedenis en mijn eigen opvoeding. Er moet in mijn eigen familielijn wat veranderen en kunst helpt daar misschien niet bij, maar kunst is nog een plek die veiligheid en eerlijkheid biedt. En in Nederland ben ik sowieso een kleine nietige schakel die weggestopt zit in een atelier. Volkomen onzichtbaar.

Nou geloof ik ook dat ik inmiddels een eigen beeldtaal heb ontwikkeld en dat mensen daar best langer als een seconde naar kunnen kijken, met of zonder sigaar, met of zonder meesmuilende glimlach, met of zonder open blik, met of zonder interpretatie. Wellicht alleen opgaan in kleuren. Iedereen ziet iets anders en geeft een andere betekenis aan een lijn.
En zo komt de lente er weer aan. Het voorjaar. Kan kunst wellicht een buitenbelevenis worden of is het al een belevenis voor mezelf als ik buiten ga schilderen.

Ga ik proberen meer tijd vrij te maken voor bezoeken aan galerie en musea. Ga ik proberen naast alle worstelingen op het doek af en toe alleen te observeren met mijn fototoestel. Ga ik poorten fotograferen. Hoe voorspelbaar. Hemelpoorten. De weg. De strijd. De rust van de zee en het water. Maar ik ben niet van het water. Mijn broer is van het water en daar op de zee ziet hij niemand. En misschien waren we altijd allebei alleen maar op de vlucht, maar wist ik het niet. Omdat hij zoveel ouder was. Begrijp ik het nu allemaal pas. Ja, misschien ga ik wel mijn persoonlijke geschiedenis weer in. Of ga ik alleen maar observeren en kies ik nu zelf voor het zwijgen, in plaats dat het een opgelegde regel is. Een stad, je eigen verhaal.Maar als ik het allemaal begrijp, wat valt er dan nog te ontdekken?

In ieder geval wens ik de toekomstige schrijver van deze column veel succes!

Kunstenaars en liefhebbers van kunst, leuk om elkaar digitaal te ontmoeten.

En we zullen doorgaan, en uit de stilte komt een nieuw geluid, en de natuur en de stad, en de zee, de golven, de woeste stormen, overal is ruimte, als je maar van binnen ruimte hebt.

Marjan Verloop