Je mag veel

Je mag veel, je mag een vis in een kom.
Draait ie rondjes.
Wel goed voor zorgen.

Vervolgens mag de herfst je koortshoofd koelen,
je mag regen je rode ogen laten spoelen.
Des winters mag de vluchteling hardop schreeuwen,
want sneeuw dempt.

Dan is het lente. Nieuwe kansen!
Dit Paspoort toont je waar je taalles krijgt.
Nederlands is echt iets minder erg dan het lijkt,
het begin was: Hebban olla uogala…
Dus alle vogels een nest, behalve wij.
En je hoort er helemaal bij
als je een uitdrukking durft:
“Met u, beschaamde burgers,
zou ik zó graag op mijn toekomst toasten,
en alle ellende vergeten,
maar met uw beschaafde Staat,
is het kwaad kersen eten”.
Hou die er in.

Trouwens, vroeger ging het van
Va-der leest de krant.
Moe-der ver-telt een ver-ha…

Zeg,
in dit handboek staat vast wel
waar je zakdoekjes kunt kopen,
en waar voer voor je vis.

En waar, als het van je geloof mag,
de drankzaak is.

 

Laurens van der Zee, stadsdichter, bij de presentatie van het Paspoort van Wageningen, wegwijzer voor ongedocumenteerden, in de bblthk te Wageningen, 20 november 2013.

Gebouwen van gezag en nog wat

Laurens van der Zee, stadsdichter van Wageningen, bij de presentatie van Gebouwen van Gezag – 750 jaar monumenten van macht en pracht in Wageningen op 13 september 2013 in de bblthk te Wageningen, ter gelegenheid van Open Monumentendag. Gebouwen van Gezag is een uitgave van het Comité Open Monumentendag Wageningen.

Gebouwen van gezag en nog wat

Over het ideale openbare gebouw heb ik vroeger wel eens gefilosofeerd, lang voordat ik de grootse status van stadsdichter had bereikt. Mijn eigen persoon als maatstaf nemend, heb ik toendertijd gesteld dat er in elk overheids – of ander dienstgebouw direct na de ingang een schuilhoek voor verlegenen zou moeten zijn. In lijn daarmee heb ik er voor gepleit om een verlegene op te nemen in het panel dat het programma van eisen voor openbare gebouwen opstelt, naast de obligate gehandicapte joodse homofiele negerin, een of andere bouwkundige, een linkshandige huisvrouw, een adhd-kind en een dichter. Oh ja, én iemand van de opdrachtgevers natuurlijk.

Van het lezen van Gebouwen van Gezag – 750 jaar monumenten van macht en pracht in Wageningen heb ik veel geleerd; mijn voortschrijdend inzicht is nu, dat in het eerder genoemde panel ook een schoonmaakster of koffiedame, een daadkrachtige regent en een levenslustige jongste bediende dienen te worden opgenomen. Waarom?
Wel, vroeger, in het pre-democratische tijdperk, deden ze niet aan panels. Daarom hebben de Wageningse gebouwen die oorlogen, ambitieuze burgemeesters en calculerende universiteiten hebben overleefd een groot manco achter hun trap – dan wel klokgevel. Eeuwenlang hebben ze een ruimte ontbeerd die meer dan enig ander lokaal de gelegenheid had kunnen bieden tot een ongedwongen ontmoeting der standen, een gelijkschakeling van machthebber en ondergeschikte, ja zelfs tot een omkering der verhoudingen. Want hoe is het eigenlijk al die tijd de ménsen vergaan in die gebouwen die we nu monumenten noemen, en waarvan we elke knipvoeg, pilaster en latei in kaart hebben gebracht? Tijden veranderen, maar macht bleef macht en waar bovengeschikten zijn, zijn ondergeschikten. Bazen, bazinnen, bedienden en cliënten hebben een deel van hun leven gezamenlijk inpandig doorgebracht. Werden daar dag in dag uit de verhoudingen bevestigd, of waren er mogelijkheden om, zoals de Wageningse professor Wertheim vroeger zei, ergens een contrapunt te zetten?

Welnu, over de ruimte die dit mogelijk had kunnen maken, beter gezegd over dit instituut, heb ik voor de presentatie van “Gebouwen van gezag…” het volgende versje gemaakt. Ik heb het kort gehouden, elk monument uit het boek verdient eigenlijk een couplet, maar het gaat om het idee en dat zal de meesten van ons als ervaringsdeskundigen snel duidelijk zijn…

 

Het havenkantoor is van het Nieuwe Bouwen, jaren ‘20, kind van zijn tijd,

’t is een en al kracht en eenvoud en functionaliteit.

De ingenieur staart uit het raam , ’t is warm, zijn stropdas knelt,

maar hem knelt meer, hij heeft het nog aan niemand verteld.

Daar stopt de truck met oliën, er uit springt een jonge chauffeur,

op slag licht het gemoed op van de geprangde ingenieur.

Maar ach, arme nette man en mooie chauffeur met blote bast:

Nergens in dit monumentale pand een bezemkast!

 

De macht van het Wagenings kasteel was ongeëvenaard,

met brouwerij, geschutstoren, een stalling voor tien paarden.

De drost was oppermachtig, en achter ieders rug

smokkelde hij ruig volk binnen over de achterbrug

en groeide en groeide het getal van onstuimige mannen

die zich eerder vroeg dan laat wilden ontspannen.

Zo bezorgden ze de burgers in de stad veel last

want nergens binnen dit monumentale pand een bezemkast!

 

Stadhuiskoffiejuffrouwkontjes zijn al eeuwenlang een feest,

secretaressedecolletés wekten in menige baas (M/V) het beest.

Vroede vaders kwamen in geestelijke en kruiselijke last

maar nergens in dit monumentale pand een bezemkast.

Daarom, ter ontspanning van receptie, klerk en magistraat

dus uiteindelijk voor de efficiency van het ambtelijk apparaat,

stel ik als geschenk van het volk voor, wat in de nieuwbouw vast nog wel past,

een discrete maar centraal gelegen top-of-the-bill met een lampje voor “bezet”

en een kapstok, wasbakje, zacht muziekje enzo … bezemkast!

Te wapen Wageningen

In ons wapen ruziën leeuwen om een kruis.
De ene wil het hoog, de andere laag.
Ik zeg laat weg, totdat we dat
of enig ander waarmerk waard zijn
want we zijn pas halverwege,
we zijn op weg.

In onze jubelstad zijn nog huizen
waar het buiten veiliger is dan binnen,
waar alles van de kanker- en de teringsoort is,
van vastgelopen ouder op het bleke nageslacht.
Sinds wanneer is iets normaal omdat het er is?

En hoe sterk staat Wageningen? Bouwheren,
beterweters, hebbers, zieners, klagers
belagen deze veste,
prikken in het mager apparaat
– ons stadje, met een feeststrik om,
en het instinct van een oester.

Waar is de kracht die ons wapen ons beloofde?
Waar zijn de leeuwen? Niet van die brommers
maar aardige leeuwen,
met de kop vol kennis en diploma’s,
een helikopterblik, ogen in hun rug,
vijf poten en een menselijk gezicht.
Ja, zulke moeten we kweken
en ze het beste geven van ons allemaal!

Misschien is het toeval maar misschien ook niet
dat in Wageningen “wagen” zit.
We moeten blijven zeggen hoe onze stad kan zijn
want anders blijven wij
hoe wij zijn vandaag.

Laurens van der Zee, stadsdichter van Wageningen
bij de presentatie van de Structuurvisie Wageningen,
Junushoff, 11 juni 2013.

DE HOOGSTRAAT IS DE WERELD

 

Ja, wij schrijven, nou en?

Schrijf dan zelf, dan horen we eens van een ander

wat in ons roept terwijl we buiten stil zijn.

Alles in ons trilt en woelt, vreest de leegte,

slaat om zich heen, grijpt vast om niet te vallen.

Die diepte in ons…

 

Het is stil. Toch is het vol,

verhalen kleven aan de muren,

zij die hier niet zijn zijn hier elke dag,

een schot, een lach, een ratelende kar,

een man in lompen, een vrouw zo ver…

Helden, verdorden, hier in onze Hoogstraat,

trilogieën op de Markt, feuilletons,

opmerkelijk veel feuilletons

in onze Wageningse goten!

 

Waren wij werkelijk wie wij zijn op straat,

een zombie was er een professor bij.

Schrijven is de mens verwoorden, ontleden, eren,

de ware mens die wij ook hier zijn, ver

van waar het zogenaamd gebeurt.

 

Laurens van der Zee, stadsdichter vanWageningen, bij het literair festival Boek & Feest, 20 – 21 april 2013, Wageningen

EN DIE STAD DAT ZIJN WIJ

Van binnen is ie groter dan van buiten,
onze stad aan de Rijn, meerlandenpunt,
waar vogels in alle talen fluiten
en keukens geuren zoals je niet verzinnen kunt.

Met stokken, steen en brons zijn ze begonnen,
aanpakkers van toen, die ploeteraars,
die modder, zand en veen en klei ontgonnen
en steeds weer buigen moesten voor veroveraars.

Wageningen hebben zij ons gegeven,
de werkers van weleer, die moesten doorgaan,
die vechten moesten om te overleven.
Hun schouders zijn het waarop die stad kan staan.

Ja, kind op kind op kind zijn wij op ouders,
ouder en ouder en ouder en ouder,
schouder aan schouder aan schouder aan schouder…

Dit is de stad die wij ontvingen,
daar zorgen wij voor, die geven wij door.
Wageningen is zevenhonderdvijftig jaar stad
en die dat stad zijn wij!

Laurens van der Zee, stadsdichter van Wageningen, bij de opening van het feestjaar Wageningen 750 stad, op 10 januari 2013.

JIJ EN IK

Door Laurens van der Zee, stadsdichter van Wageningen, bij “Het is goed met jullie – Asielbeleid 5 jaar na het Pardon”, bblthk Wageningen, 7 september 2012

Vooraf: SCHRIJNEND IS EEN PRACHTIG WOORD

Schrijnend is een prachtig woord, qua woord. Het snijdt in je keel en je oren net zo effectief als in je ziel. Schrijnend is een bijzonder soort onomatopee, om het eens klassiek te zeggen. Dus als je van taal houdt kun je met het huidige asielbeleid je hart ophalen.

In sommige zogenaamde culturen is isolatie een straf, zwaarder dan de dood. Je bent er en je bent er niet, je spreekt, roept, huilt zonder geluid. Daar ga je aan te gronde. In ons beschaafde land komt de doodstraf niet meer voor maar daar is alles mee gezegd: Duizenden mensen leven hier als een vis in een kom, in een niemandsland, in stress en uitzichtloosheid; duizenden levens, talenten en kansen worden vergooid*. Uitgeprocedeerden, illegalen, tussen-wal-en-schippers, schrijnende gevallen, dolenden, zij die verstrikt zijn in onmogelijke regels, ook zij zijn de toekomstige broeders over wie het Europese volkslied zingt. Maar dat is natuurlijk maar een liedje. En bovendien zijn we nog geeneens een volk. Als we zo doorgaan worden we dat ook nooit. Want wat we aan de minsten onder ons geven, dat geven we aan elkaar.

JIJ EN IK

Het had maar zó gekund dat ik jou was geweest,

pech voor jou!

Het scheelt maar een haar, maar welke,

daar zijn de geleerden niet achter

en steeds als ze kijken is ie kleiner.

Jij bent huilend ter wereld gekomen want je wist al waar je terecht kwam.

Je werd wakker en de stagnatie was nog daar, je werd wakker

en de oorlog was om je heen.

Is het een wonder dat je je leven en je toekomst wilde redden,

dat je de succesnummers van het Westen dan maar zelf kwam halen

of dat je op z’n minst vluchtte naar het licht?

 

De scheuren in deze onhoudbare wereld lopen tot onze deur.

Nog even en ze zijn er. Keihard

bellen ze aan (nog), keihard

willen ze werken en wonen. En hun kinderen, keihard

willen ze poppetjes tekenen en Iets Worden later.

 

Dat treft, want de rollatorgolf komt er aan (ik voorop),

en sowieso komen we jongleurs te kort

om al onze bordjes in de lucht te houden,

onze toeters en bellen en rechten en plichten,

onze normen en certificaten. Want we gaan vastlopen,

ja, we lopen vast.

 

En dan had ik maar wát graag jou willen zijn.

Pech voor mij!

 

*Fragment uit mijn speech “Kans” op de Markt in Wageningen, 23 september 2008, bij de actie “Grensgevallen”

[…] Voor ons als burgers  is het een onverdraaglijke gedachte dat mensen van goede wil geen eerlijke kans krijgen. Want wat is erger: een slecht mens een kans geven of een goed mens géén kans geven? Ik denk het laatste: een goed mens géén kans geven om te zijn wie hij is of te worden wie hij zijn kan, is een onherstelbaar verlies voor hemzelf en voor de maatschappij tot in de verre toekomst, vele generaties vanaf nu. En de goeden hebben we juist zo nodig! […]

Wereldburen

 

Ja, je buren, daar heb je wat aan.

Ze vangen je post en je kinderen op,
praten tegen de kat en de plant.
We roepen wat vanuit de achtertuin,
lachen wat bij de voordeur, met de sleutel in de hand,
ja, hier is het fijn, hier moet je zijn!

Maar waar is de wereld? Waar is die wereld die wij óók zijn,
mee-maken, in- en uitademen,
die op ons inbeukt om aandacht, flitst in onze moede ogen,
hel en hemel tegelijk, en waar staan wij?
Onze achtertuin kan al lang de wereld niet meer bevatten.
Hoe leren wij dan, ons tot haar te verstaan?

Het antwoord ligt in onze stedenband.
Daar, waar ver over de grens een plaats voor jou is,
een koffie, een welkom, je kent elkaars verhaal
en pakt de draad weer op.
Oefenen, uitoefenen, spelen en werken,
een partnerstad is je eerste stap naar wereldburgerschap.

Tijdgenoten, lotgenoten, bondgenoten zijn wij.
Dus koester wat gezaaid is, oogst wat gegroeid is,
laten we vieren wat al zo lang terug begonnen is:
Onze stedenband!

Laurens van der Zee, stadsdichter van Wageningen, bij de viering van 20 jaar officiële stedenband tussen Mörfelden-Walldorf (D) en Wageningen (NL), 30 juni 2012


Weltnachbarn

Ja die Nachbarn, auf die kannst Du bauen.
Sie kümmern sich um Post und Kinder,
sprechen mit der Katze und den Pflanzen.
Wir rufen was über den Gartenzaun,
lachen was an der Haustür, mit dem Schlüssel in der Hand,
ja, hier ist es fein  zu sein!

Aber wo ist die Welt? Wo ist die Welt die wir auch sind,
mit-machen, ein- und ausatmen,
die fordernd auf uns einschlägt, unsere müden Augen blendet,
Hölle und Himmel zugleich, und wo stehen wir?
Unser Garten kann die Welt schon lange nicht mehr fassen.
Wie lernen wir dann, uns in ihr zu verstehen?

Die Antwort liegt in deiner Städtepartnerschaft.
Dort, wo weit hinter der Grenze ein Platz für Dich ist,
ein Kaffee, ein “Willkommen”, die Geschichten sind bekannt,
ihr nehmt den Faden wieder auf.
Üben, ausüben, spielen und wirken,
eine Partnerstadt ist dein erster Schritt zur Weltbürgerschaft.

Zeitgenossen, Schicksalsgenossen, Verbündete  sind wir.
So pflege was gesäht, ernte was gewachsen,
feiert womit man so lange her anfing:
Unsere Städtepartnerschaft!

Laurens van der Zee, Stadtdichter von Wageningen, zur Feier der zwanzigjährigen offiziellen Städtepartnerschaft zwischen Mörfelden-Walldorf (D) und Wageningen (NL), 30 juni 2012

Übersetzung aus dem Niederländischen von Michaela Kiklas