Voor Wageningen

Ik leerde je horen en jij mij het schrijven
over je mensen, je stegen, je hotel op het plein,
over ‘s nachts op de dijk, over hoe je nog jaren
mijn altijd gonzende muze zal zijn.

Want ik hoor je, als ik weg ben,
in de ruis van de rivieren.
En ik hoor je, als ik thuiskom
fluist’ren met de populieren.

Op zaterdag hoor ik je roezemoes zwellen
in je bieb, in je wijken, in winkels, op straat.
En op donderdag hoor ik je vergenoegd zuchten
als de tevreden klanten in ‘t antiquariaat.

Je bent live muziek in je eigen cafeetjes,
maar klinkt ook in de stilte van de tuin op je hug.
En zelfs als de nacht bijna uit is geslapen,
keert in de toren je stemgeluid terug.

Jij bent het geluid van je eigen bewoners.
Ze zijn als je kinderen: trots prijs je ze aan.
Jij kent de galm van studenten, absenten,
van zij die hier blijven en zij die weer gaan.

Je echoot de lach van ouders die niet zagen
hoe hun grut zichzelf nat spatte in je fontein.
Ik hoor jouw geluid, zoals jij het mijne
en ik wil, als je dochter, je stadsdichter zijn.

Ivanka de Ruijter