Dienend fietsen

Ik heb hier iets voor Kerstmis maar eigenlijk ook voor elke andere dag in het jaar, en het begon op de fiets. Zoals zoveel. Daar moet ik het eerst over hebben. Met fietsen is het eigenaardig gesteld, er is van alles over uitgezocht, hoe je benen bewegen, hoe je moet zitten zonder je kruis te mollen, hoe je knieën het minste slijten enzovoort. Al met al weten ze veel van fietsen, maar er is volgens mij nog nooit onderzocht wat mensen dénken als ze op de fiets zitten. Vreemd, want als je er op let zul je zien dat heel wat fietsers een nogal peinzende blik in hun ogen hebben – in hun gedachten zijn ze eigenlijk overal, behalve op de fiets. Als ik het hád zou ik er goudgeld voor geven om te weten te komen waar al die mensen zoal aan denken. Het kunnen brave dingen zijn, over boodschappen en zo, maar ik vermoed, en hoop eigenlijk, dat er ook hele ón-brave dingen tussen zitten, zelfs bij huisvrouwen, jawel! Hoe dat zit bij huisvrouwen, daar ben ik vreselijk nieuwsgierig naar, maar ik weet nu al dat ze alles zullen ontkennen. En dat ze volgende keer op de fiets zullen proberen, nooit meer aan ón-brave dingen te denken, voor het geval er iemand naar gaat vragen. Met als gevolg dat ze een hele vulkaan aan pikante fantasieën en kindonvriendelijke, relatieonvriendelijke of regelrecht moordzuchtige gedachten in hun arme hoofd zullen oproepen, dingen die ze allemaal een plekje moeten geven en ze hebben al zo veel te doen. Ja, in hun gedachten zijn ze dan overal, je wil niet weten waar, behalve op de fiets.

Welnu, wat mij betreft, ik beken, ik heb gefietst, en ik heb daarbij vreemde gedachten gehad. Op een dag, namelijk, was ik tamelijk zorgeloos enigszins kuierend aan het fietsen, je zou kunnen zeggen ik was in ontvankelijke staat, en jawel daar vloog een gedachte in de vorm van een zinnetje regelrecht van ergens van boven mijn kop in. Het zinnetje luidde: “Hoe kan ik dienen?”. Ik schrok er van. Was mij soms een dominee voorbij gefietst? Had een ziekelijk watje mij soms aangehoest? Een watje, een dominee, dat soort types denkt ‘hoe kan ik dienen’, althans dat zéggen ze, maar een gewone Hollandse jongen of meid toch niet zo snel, zelfs dichters niet. Ik zocht steun bij het eerste het beste verbodsbord en overdacht wat mij te doen stond. Waar blijf je als je alsmaar gaat dienen. En wat zullen de anderen wel zeggen! Ik weet het nog van het schoolplein van heel vroeger, en van de pauzes op de middelbare school, en van de keuken in de studentenflat: als je wat opraapte en je deed het in de prullenbak, weet je wat ze dan riepen? UITSLOVER!! En dan lag je er uit want een watje wilde niemand. En het wordt nog erger want ik ga nu nóg wat bekennen, namelijk, dat de gedachte “Hoe kan ik dienen” ergens, op de een of andere vreemde manier, in de verte, mij toch hoe zal ik het zeggen enigszins aansprak, en zelfs licht, heel licht maar toch ergens toch wel een beetje zeg maar zoiets als nou ja ontroerde zelfs, hoe gek het ook klinkt. Ik herinnerde me de eerste keer dat ik mijn vrouw een vreemde fiets zag oprapen die omgevallen was, en dat ik schrok, en hoopte dat niemand het gezien had, en ik realiseerde me dat ik onlangs, aan een vrij afgelegen hek weliswaar, zomaar drie fietsen heb teruggezet die daar omgevallen waren en dat ik alleen maar een heel klein beetje hoopte dat niemand het zag en halverwege zelfs begon te hopen dat iemand het wél zag en dat ie als ie niet “Watje!” riep wellicht ooit zelf ook eens een fiets….

Nou ja, ik heb het opgezocht bij een meneer die ik best aardig vind schrijven, hij heet Deepak Chopra en hij noemt dienen, helpen, je talenten – wat ze ook zijn – beschikbaar stellen aan anderen “De wet van het Dharma” . En, zegt ie, als je niet meer denkt “Waar word ik beter van?” maar “Waarmee kan ik helpen?”, dan ben je behoorlijk goed bezig. Je maakt jezelf en de ander zielsgelukkig en je helpt de wereld vooruit. Dat lijkt me, met Kerst en op elke andere dag in het jaar, geen verkeerde gedachte. Het lijkt me de moeite, het eens te proberen. Dus noem ik hier maar vast wat dingen waar ik goed in ben en bij gelegenheid best wel eens een ander mee wil dienen, of in gewoon Nederlands wil helpen dus: Ik, bijvoorbeeld, ben extreem goed in schroefjes en moertjes – voor uw fiets, uw camera, uw tractor en al uw cultuur – en ik kan ook aardig planken zagen, schilderijtjes ophangen, en een lampje of een slecht geschreven tekst repareren. En ik kan in diverse talen dingen mompelen, zelfs Arabische en oud-Griekse woordjes lezen al moet ik soms dan wel opzoeken wat ze ook al weer betekenen. En als niemand het zegt zal ik dan maar zeggen hoe wonderschoon ik fluiten kan en ook wel koken, geloof het of niet. En zelfs kan ik, weliswaar met moeite, binnen een redelijke tijd een column afsluiten, scheelt me niks of dat watjesgedrag is. Afijn, ik hoor het wel of ik mezelf zielsgelukkig kan maken door me voor een ander uit te sloven. Volgende keer gaan we het over dienend vragen hebben, want een aanbod zonder vraag is toch wel een beetje kaal. Uw dienaar wenst u mooie feestdagen en vooral veel quality-fiets-time!

Laurens van der Zee, december 2018. Deze tekst werd gepresenteerd op het Cultureel Café van 6 december.

Sempre teua: je moerstaal, altijd de jouwe

Tijdens een werkbezoek aan Valencia eind vorig jaar (nooit begon ik een column zo gewichtig) viel mijn oog op een enorme poster met maar een klein beetje tekst er op. Het was bepaald geen school-Spaans, ik kon er maar weinig van maken. Een Spaanse collega vertelde dat dit Valenciaans was, en dat er stond: “Je eerste woord, je laatste zucht, altijd aan jouw zijde, je moedertaal”. Was getekend, Generalitat Valenciana. “Godverdikkie wat mooi” was mijn eerste gedachte, in mijn eigen moerstaal. Dit moet een kunstenaar geschreven hebben. Onverhoeds voor schoonheid staan kan hard aankomen, deze enigszins stabiele en tamelijk wat gezien hebbende man kreeg zowaar een traantje in z’n oog. Verderop hing nog zo’n kraker: “Weet dat ik leef in jouw gedachten als je lacht, als je kijkt, als je kust…”. Met die Valenciaanse klanken was het nog veel mooier, het was pure muzikale poëzie. En zo hingen er meer bij de stations in die stad en in de dorpen in de grote regio Valencia. Dat zijn we van een overheid niet gewend, dat ze dichters inhuren om hun boodschap te verkondigen. En wat voor een! Gezegend als we in ons landje zijn met een tamelijk conflictloos en niet te ver van de moedertalen afliggend ABN (ik zeg het heel voorzichtig en ja ja Friesland en Limburg en Stellingwerf en Schuddebeurs en Zieuwent jullie zijn echt heel mooi en heel bijzonder enzo hoor!) zijn we niet gewend aan reuring op dat gebied in de openbare ruimte. En áls het Gezag al iets van zich zou laten horen zou het eerder een pleidooi zijn voor een netter Nederlands, ik weet er een: “Wie nog één keer HUN HEBBE zegt, zegt drie dagen cel met spinnekoppenbrood!” Maar daar in Valencia is iets anders aan de hand, ze roepen daar de bevolking juist op, de eigen streektaal serieus te nemen. Dat zie ik de regering van Weert zo snel niet doen (waarover straks meer). Met de campagne “Sempre teua. La teua llengua” wil de Valenciaanse overheid de eigenheid van deze grote semi-autonome landstreek benadrukken. Uit de rellen rond de afscheidingswens van Catalonië weten we wat voor ellende daar van komen kan, maar het lijkt erop dat Valencia zo ver niet wil gaan, maar binnen de officiële tweetaligheid de eigen taal in elk geval een steuntje in de rug wil geven. Ze zijn er mee begonnen op 26 september 2017, de Europese Dag van de Talen, en ze gaan er mee door tot voorjaar 2019. Als ze nu 21 februari als afsluiting kiezen zijn ze helemaal knap bezig, want 21 februari is sinds 2000 de Internationale Dag van de Moedertaal, vastgesteld door de Verenigde Naties. Het thema voor 21 februari 2018 is / was: “Linguïstische diversiteit en veeltaligheid voor duurzame ontwikkeling”. De basisgedachte van deze Internationale Moedertalendag is dat onderwijs in de moedertaal het beste begin is van je ontwikkeling. In de omschrijving van de Europese Talendag van 26 september (sinds 2001) kom je ongeveer hetzelfde tegen, plus onder meer “Het bevorderen van rijke taalkundige en culturele diversiteit in Europa, die moet worden behouden en bevorderd”. Gek dat we hier zo weinig aan deze Internationale Dagen doen, terwijl die Europese en VN-stukken vol staan met argumenten voor leuke taalprojecten. Ze zullen je daar op hun hoofdkantoren omarmen, want het lijkt allemaal nogal een top-down gebeuren te zijn en misschien zelfs een verplicht nummer, al mogen ze dat niet hardop zeggen. Dus, burgemeester van Weert, als je eens “Droumers en Drammers” op reuzenposters wilt promoten, een boek in het Weerts door onze eigenste Wageningse Weerts-specialiste Annie van Gansewinkel, lees dan effe de websites http://sempreteua.com, un.org/en/events/motherlanguageday/ en https://edl.ecml.at/Home (om maar een greep te doen) en je draait zó een gefinancierd project in elkaar. Annie vindt het vast een goed idee, ze schrijft: “Dit book vör jonger (mer ouch vör ederein dae oeëts jónk es gewaesj) gieët oeëver jónger en aojer en eure stried tösse droume en dramme”.

Gek dat ik me opeens zo alleen voel als ik dit schrijf, eigenlijk net als toen in Spanje, toen iedereen om me heen vol passie die posters ging reciteren. Ik hoorde er opeens heel erg niet bij, bij dat warme ons-kent-ons streektaalnest. Vreemde materie, moerstaal: Niet schudden, koel en donker bewaren! Want alles wat verbindt, scheidt tegelijk…

Een column van Laurens van der Zee voor www.cultuurinwageningen.nl, februari 2018

Koop Wagenings! Maar hoe?

Als je het goed met je woonplaats meent, wil je liever niet dat jouw boodschappengeld ver over de gemeentegrenzen verdwijnt. Je gunt het plaatselijke winkeliers en bedrijven dat ze door jouw aankoop van spullen of diensten sterker worden en in jouw omgeving meer kunnen investeren. De gemeentekas wordt er indirect ook beter van. Dat is allemaal goed voor de stad, al kun je niet van elke transactie weten waar de uiteindelijk belanghebbende zit. Lokaal geld kan dat nog verbeteren, maar dat is een onderwerp dat een aparte column en nog meer verdient. Tot zover kan ik mijzelf als niet-econoom nog volgen en ik hoop de lezer ook. “Koop Wagenings” is in elk geval mijn uitgangspunt en binnen redelijke grenzen mijn dagelijkse praktijk.
Maar Wagenings kopen wordt me niet makkelijk gemaakt, er verdwijnen veel winkels, én ik kan nergens te weten komen wie wát heeft in Wageningen. Dat geldt ook voor diensten: Wie kan wát voor mij betekenen in mijn omgeving? Wij zijn dankzij internet gewend geraakt aan overzicht om goed te kunnen kiezen, en dat wil ik op míjn tijd kunnen doen achter mijn eigen computer. De meest elementaire dingen op cultureel gebied alleen al zijn een hopeloze pelgrimage: een gitaarsnaar, een stemapparaat, een trommelvel, een klassieke of anderszins bijzondere cd, een microfoon, hoogwaardig printpapier, discolampen…Vergeet het!
Als ik met mijn boodschappentas in de stad kom word ik links en rechts ingehaald door busjes die spullen van verre webwinkels komen brengen. Kennelijk kunnen duizenden inwoners makkelijker iets op internet vinden dan in hun eigen omgeving. Voor diensten geldt waarschijnlijk hetzelfde. Ze proberen het niet eens meer. Als je de nieuwsberichten volgt neemt dat in de toekomst alleen no maar toe. Dag geld, dag winkels, hallo vervroegd ontslag! Ik ben geen trendwatcher maar de leegstand wijst er op dat de monopoliepositie van winkels als verkooppunt niet meer terugkomt en dat de daarbij behorende hoge huurprijzen, zelfs in het centrum, niet meer realistisch zijn. “Het is allemaal de schuld van het internet”, hoor ik winkeliers en vastgoedmensen zeggen. Dat vind ik maar een halve waarheid. Veel zakenmensen doen alsof het internet een natuurverschijnsel is dat zomaar geheel zonder waarschuwing over de hoofden van onschuldige werkers is komen aanwaaien, zaken wegvagend als een tsunami. Maar internet bestaat al tientallen jaren en de groei van internetwinkels – en van de handigheid op computers bij de mensen thuis – is zichtbaar geweest voor iedereen die zijn ogen openhield. Wie naast goeie ogen ook nog verstand van zaken had, kon instappen in een concurrentie-arm jachtveld met onbegrensde mogelijkheden. Het gemopper op dat natuurverschijnsel moet zo’n persoon als muziek in de oren hebben geklonken. Een ouderwets óf-óf-denken noem ik dit: passief staan wachten op klanten die zich niet meer als vroeger gedragen, omdat je je zaak met al die geschiedenis en investeringen niet los kunt laten. “Had dan én – én gedacht! Had er dan een mooie internetwinkel bij gemaakt, zodat ik thuis kon zien wie wat waar had, en ik het desgewenst in de winkel van dichtbij kon bekijken en ophalen!”, denk ik als ik weer een leeggekomen pand zie.
Omdat ik in de eerste plaats geen tijd heb om in de stad te zoeken, en omdat ik heb geleerd dat er nogal wat verschil in prijzen is, neem óók ik vaak mijn toevlucht tot internet. Met spijt, maar ook met een “eigen schuld dikke bult”- gevoel. En daarom sluit ik dit stukje af met een typische boerenverstandvraag, een verzoek dat mij zó logisch lijkt dat het wel oliedom moet zijn want anders was het al lang gerealiseerd. Na het stellen van die vraag durf ik me niet meer in het openbaar te vertonen maar ik stel hem toch omdat ik er na jaren piekeren eindelijk eens van af wil:

Wie maakt de WinkelWijzer Wageningen, een overkoepelende, door alle belanghebbenden samen gevulde website waarop je op trefwoord direct of via een werkende link kunt zien welk producten en diensten in Wageningen te vinden zijn, of het nu een Aansteker, Biertap, Campertafelpoot, Dichter, Echtscheiding, Fiets, Geestelijk verzorger, Huis, Innovator, Jojo, Kinderfeestje, Levenseinde, Moertje, Naaidoos, Ondernemer, Praktijkruimte, Quantummechanicaspecialist, Ranzige heer, Sportbeha, Tuinontwerpster, Uiensnijder, Visagist, Wereldreis, Xylofoon, IJsco of Zadelmaker betreft? Dan ben ik jullie eerste klant!

Een column van Laurens van der Zee voor www.cultuurinwageningen.nl, maart 2017

“Wageningens Kwaad” – Het boek dat je weet dat moet komen

Wie schrijft er met mij een boek? Het wordt geen fijn boek. Liever niet dus, ik heb toch al geen zitvlees voor boeken. Maar het moet er wel komen, de titel heb ik al: “Wagenings Kwaad”. Het gaat over wat er eventueel, let wel, eventuéél, mis is met Wageningen, en wat daaraan te doen valt. En dan heb ik het niet over de stad maar over de mensen. Want af en toe vraag ik me af wat voor volk er eigenlijk door onze straten schuifelt, ’s nachts of overdag. Hoe staat het eigenlijk met “Das Böse” in ons stadje? Wat is, alle plussen en minnen opgeteld, het échte Wageningen? Meer dan ooit zijn we tegenwoordig aan het “Bruisen”, “Proeven”, “Present zijn” en dingen “Samen” doen, maar wát is het waarover men niet praat? De dokter weet het, de politie, de burgemeester (hopelijk), de buurtbemiddelaar, de onderwijzer, de eerste hulp, de GGD, de GGZ, de priester, de Jeugdzorg, enzovoort. Maar iedereen zwijgt. Alleen in de kranten kom je die rare Wageningse snuiters soms tegen, drugshandel is dan nog het minste. Laatst was er een die kennelijk zijn vrouw had geslagen en verkracht – topje van de ijsberg, wie weet. Beweert ie voor de rechtbank serieus dat gedwongen seks in een huwelijk per definitie niet bestaat. Zo iemand dus. Een andere Wageninger presteerde het onlangs om in één klap vierhonderd i-phones achterover te drukken. Een groot denker, maar wel voor de verkeerde zaak. En dan al die dronken figuren met hun geschreeuw en geweld om niks, elk weekend weer. Houdt dat nou nooit op? Hoe kan het dat onvolkomenheden zich zo vaak herhalen, is er nu niemand die daar eens wat aan doet? Zit het zó diep in het menselijk bestaan? Of zijn er nog teveel mensen die achteroverleunen – ik denk aan mijn donderpreek tegen achteroverleuners, op onze pont over de Rijn, mei 2011, staande op de tafel van De Tafel van W, niet te missen dus, maar na afloop ging iedereen door met waar ie mee bezig was, de achteroverleuners dus met achteroverleunen. Moet ik soms uit protest van een brug springen? Beetje lastig in Wageningen, de enige die ik ken is het Giethoornbruggetje en daarvan wil ik het theatraal effect eerst even narekenen.

Maar goed, ze zeggen dat het Kwaad onder ons is en dat in ons allen zit. Kan zijn, maar bij sommigen komt het er dan wel heel rottig uit! Tel eens op welk percentage van onze beroepsbevolking bezig is de rest onder de duim te houden of in elk geval de schade te beperken – de P van Preventie zie je trouwens opmerkelijk weinig in afkortingen in de zorg. Het zou best eens een dik boek kunnen worden dat “Wagenings Kwaad”, misschien wel dikker dan “Geschiedenis van Wageningen”. Of heb elk nadeel ze voordeel om met Cruijff te spreken, en maken we er een USP van, een Unique Selling Point, voor het toerisme? “Wageningen, city of crime, rafelrand van de Veluwe!” Werk aan de winkel voor Rondleidingen Wageningen: “…en in dat zolderkamertje kun je je tegen betaling laten afranselen, en ziet u dat huis met die veel te dure auto? Typisch gevalletje van witte-boorden criminaliteit. Door deze verrekijker kunt u de werkkamer van een chanteur zien. Op de achtergrond zie je een reproductie van “De Vrek” van Jan Steen. De Dood die door een ruitje gluurt is afgeplakt”. In mijn stadsdichterstijd heb ik hier en daar wat regels aan Het Kwaad gewijd, ik was benieuwd hoe daar op zou worden gereageerd. Daarmee wilde ik een vraagteken zetten bij de kennelijke “normaliteit” van nare maatschappelijke verschijnselen. Het ging me niet om elk gedoe buiten de lijntjes, wie ben ik om daar over te oordelen. Maar ik vroeg me wel af of we die verschijnselen, zelfs als ze statistisch gezien binnen een zeker gemiddelde vallen, ook éthisch gezien normaal moeten vinden, en accepteren. En met die vraag zit ik nog steeds.

Ach, het gaat allemaal voorbij, het goede en het foute. Maar als we het nou voor elkaar konden krijgen dat het kwaad zich wat minder herhaalt, wat voor een leuk boek zouden we dan als vervolg op “Wagenings Kwaad” kunnen schrijven! De titel heb ik al: “Fijn Wageningen”. Vrijwilligers gevraagd, ik zorg wel voor de koffie, voor boeken heb ik nog steeds geen zitvlees …

Laurens van der Zee, mei 2016, column bij De Tafel van W (24 mei ’16) en cultuurinwageningen.nl

De meeste aangestipte teksten staan in de stadsdichtersrubriek op www.cultuurinwageningen.nl. De tekst waarin achteroverleuners gegeseld worden staat hier: http://www.laurensvanderzee.nl/installaties/42.htm

We spreken af bij de koe

Wie zegt dat hij afspreekt bij een koe zal niet voor vol worden aangezien. Maar in Wageningen kan dat. Daar staat een levensgroot dier op de hoek van de Bergstraat en de Bevrijdingsstraat. De boerderij in kwestie is de kaasspeciaalzaak ’t Zuivelhoekje. Het is hun enige koe en ze is van plastic, wat betekent dat ze bijscharrelen met eigen kaas wel kunnen vergeten. Toch is die koe belangrijk want veel buitenlanders spreken daar af. Met name bij studenten en wetenschappers uit Latijns Amerika is la vaca populair. Ze laten zich er ook graag bij fotograferen.
Zo zijn er in Wageningen meer afspreekpunten, je merkt dat vooral bij evenementen. “We zien elkaar bij de bank”, “Ik ben bij de omgevallen boekenkast”, “Ik zie je bij de fontein”, het zijn allemaal plekken die de mensen kennen en waar het goed afspreken is als je niet direct tot een consumptie wilt worden verplicht bij een afspraak in een café. Die fontein, dat is natuurlijk de fontein op de Markt met dat beeld van Berkhemer in het midden.
Die omgevallen boekenkast vind je niet bij Kniphorst of bij Bruna. Nee, het is het kunstwerk in het gazon naast de kinderboerderij. De officiële naam is “Beweging in de ruimte II”, een beeld van Piet Killaars, een tijd terug nog opgeknapt dus een niet te missen spierwit baken in een mensenzee. “We zien elkaar bij Beweging in de ruimte twee van Piet Killaars” is nogal een mond vol dus maken wij, taalmakers, er iets aardigs van.
Tenslotte nog die bank. Kijk op 5 mei eens achter Junushoff bij het minst uitgebate, mooist gelegen terras van heel Wageningen. Daar staat een imposante bakstenen bank uit het einde van de 19e eeuw, in april 2014 nog gerestaureerd. Er staat “Hulde aan D. Vreede 1819 – 1886” op, als eerbetoon aan Dirk Vreede die veel geld en energie in onze stad heeft gestoken. Op het Bevrijdingsfeest zijn jongeren niet bij die bank weg te slaan, ze spreken er af of zetten er hun spullen neer en als je na een uur terugkomt zitten ze er nog. En nu we het toch over banken hebben: op de Campus is het al precies hetzelfde. Daar is op het gazon een grote houten bank in de vorm van een vraagteken geplaatst, een geschenk van de vereniging WUgenoten. En waar worden tijdens Introductiedagen en andere evenementen tafeltjes, stoeltjes en infostands omheen geschoven, als een natuurlijk ankerpunt? Juist!

Laurens van der Zee

Opschrijfboekjes

Ik heb veel opschrijfboekjes, het ene nog mooier dan het andere. Dichters krijgen dergelijke dingen met Sinterklaas maar sommige heb ik zelf gekocht wanneer ik weer eens had besloten nu echt te gaan schrijven. Er zit een minischriftje bij van Dille en Kamille met een etiket waarop je kunt zetten van wie dat schriftje is en waar het over gaat. Ook is er een tamelijk dik bijna vierkant boekje met hele fijne ruitjes. Je gaat er vanzelf netter door schrijven en dat kan bij mij geen kwaad. Een heel prachtig boekje dat ik heb is wat groter, het heeft geen lijntjes maar wel een leeslint. De buitenkant is met goudachtige patronen bewerkt en het mooiste van al is dat het een magnetisch slotje heeft. Tot de afdeling kunstige boekjes reken ik ook een opdondertje met vreemd grof maisachtig papier, zal wel uit een ontwikkelingsland komen, met een omslag van een of andere plant. In dat formaat is er ook een soort middeleeuwse flap van leer met wat papiertjes er in gebonden met een touwtje. Dat touw kun je om de flap winden bij wijze van sluiting. Dan de dummies, die ongelijnde lege boeken met harde kaft. Ik heb een grote in het rood en in het zwart plus drie zwarte kleintjes, als bijbels zo strak en mooi. Verder een klein maar bepaald niet dun gelijnd notitieboekje met een kaft met een kleurig tafereel met blote engeltjes en een wegkwijnende ruïne, en een streng dito boekje in ’t zwart met een keihard kaft waar helemaal niets op staat. Echt een antropologen-in-de-rimboeboekje en ik kan het weten want zo eentje ben ik zelf, eigenlijk. Dan nog drie zware jongens met twee metalen ringen als binding en in de omslag een soort glas-in-loodpatroon geperst, driemaal heel veel bladzijden in respectievelijk zachtgeel, zachtgroen en zachtroze, met een flauw lijntje. Die komen van de Wageningse wereldwinkel en zo zijn er een lokaal en een mondiaal aspect in deze beschouwing geslopen. Als toetje tenslotte maar liefst twee echte Moleskins, de ene gelijnd, de andere ongelijnd, adembenemend mooi! Beide hebben een zwart elastiek om ze dicht te houden en achterin een vakje voor visitekaartjes. Voorin kun je het adres invullen waarheen de vinder dit prachtmateriaal mag terugsturen – als ik vinder was zou ik ze houden. Met twee leeslinten! Wat een prachtboekjes zijn die Moleskins, een huidje van fluweel, een babyvel is er niets bij. Met een Moleskin onder handbereik ontbreekt er niets meer om substantieel te schrijven. Ik weet het. Ik weet het.

Waarom mij nu opeens het verhaal van die oude dame te binnen schiet weet ik niet. Ze is haar hele leven ongetrouwd gebleven. Na haar overlijden ruimde familie het huis leeg. In haar linnenkast vond men de prachtigste lingerie, zeer sjiek, vaak pikant, zeker duur geweest. Het zat allemaal nog in de verpakking.

Laurens van der Zee, februari 2015

Snoepreis – een zunig stukje over de rug van hele aardige mensen die helaas niet in Wageningen wonen

Er heerste stilte bij het ontbijt in het hotel. Wakker worden in Lelystad is inderdaad niet niks. Sommigen schikken zich, anderen proberen koortsachtig te begrijpen hoe zij in deze situatie verzeild zijn geraakt. Zo vroeg ik mij af welke personen in mijzelf of in mijn omgeving ik in de afgelopen tijd dusdanig verschrikkelijk had verwaarloosd dat mijn dromenregisseur het nodig vond om als vermaan de very heavy metafoor “Lelystad” in het script te plaatsen. Eigenlijk had ik helemaal geen zin om daarover na te denken, ik wilde vooral leuk slapen en bovendien vond ik dat er net zo goed mensen in mijn omgeving waren die míj verwaarloosden althans niet ieder uur toejuichten en grote delen van hun lijf, have en goed schonken. Al met al was het dringend tijd voor de bekende noodstop, het door een kneepje in de arm beëindigen van een beklemmende droom. Zo gedacht zo gedaan.

Er heerste stilte bij het ontbijt in het hotel. Door de luxaflex die overal voor de ramen hing om de wereld nog even te verzachten zag ik een gigantisch leeg plein van louter grijze steen. Ik zag zich een magere junk losmaken van een portiek en met de bekende junkendribbel alsof ze Heel Druk zijn en een Heel Legitieme Bestemming met spoed willen bereiken, kortom het onmiskenbare junkenloopje, het plein oversteken. Hij verdween in een parkeergarage. Ik benijdde hem. Daar stond mijn auto. Waar hij was wilde ik zijn, met mijn sleutel al op slothoogte. Dat ie junk was deed me niks, ik was als Wageningse stadsdichter op dienstreis naar de jaarlijkse Nationale Stadsdichtersdag en als je 60 dichters kunt verdragen red je het ook wel met één junk. De middag was goed geweest. De dichters waren in bussen geladen, kilometers ver gereden door wat kennelijk nog steeds Lelystad heette terwijl ik dacht dat we al in Harderwijk zaten, en in groepjes van vier bij aardige mensen en hun vrienden uitgeladen om in parkachtige tuinen aan riante waterpartijen eigen werk te komen voordragen. Het avondoptreden daarentegen was een beproeving. Het was een plenaire bijeenkomst in het theater, het enige gebouw met lef in dat oord. De sleutel van de zaal was meer dan een kwartier zoek maar daarna konden we er toch mooi in. Twee oudere heren, de zielen van het Stadsdichtersgebeuren, presenteerden. Helaas hadden ze elk een verschillend draaiboek voor zich, het een uit 1643 of daaromtrent en het ander mogelijk iets recenter, waardoor ze elkaar voortdurend liepen te corrigeren, fout en terecht door mekaar heen. Het oudste mannetje maakte het wel erg bont want toen ik voor mijn optreden was opgeroepen en volgens mij onmiskenbaar op het podium stond, was hij met zijn rug naar de zaal in gesprek met het achtergordijn en riep dat bezwerend aan met mijn naam. Mogelijk was dit het draaiboek van 1643 en moest de stuurman van een op die plaats varende VOC-schuit, meters boven de huidige wereldstad, in een stukje voor de matrozen heel hard “Laurens van der Zee” naar de kapitein roepen die ongeveer ter hoogte van het huidige gordijn stond – vraag niet waarom, misschien heette die man wel zo, of was dat in die tijd een goeie mop, je probeert nu eenmaal dingen te begrijpen. Ze hadden allebei een hoed op, het oudste mannetje had de breedste rand. Natuurlijk was een lichtplan er even bij ingeschoten. Gevolg was dat de spots alleen van boven schenen en daarmee een schaduw over ’s mans gelaat wierpen waarbij vergeleken het masker van de grote Zorro een polsbandje was, je zag alleen zijn tanden blikkeren en af en toe een stukje van een lip, felroze tegen het zwart. Ik heb nog wel even de zaal verpletterd met een nieuw werkje en zat daarna vooral te wachten op het nafeest met een bandje en veel bier – dat laatste was ook de reden om van de smekend aangeboden hotelkamer in gastvrij Lelystad gebruik te gaan maken. Dat feestje was al net zo geweldig georganiseerd als de rest: Als verrassing hadden ze speciaal voor ons een klassiek duo met een neuzelige fagot en een onhoorbare klavecimbel geëngageerd. Iedereen door Telemann en consorten heen lullen natuurlijk. Na de tijd van twee biertjes, snel dus, tikte de andere hoed op de bar en riep vriendschappelijk dat dit hele mooie muziek was mensen, die het waard was om naar te luisteren en verdiend van te genieten, en dat de musici nu iets heel bijzonders gingen spelen! Wat dat was zal ik helaas nooit weten want ik wist niet hoe snel ik mij naar de verste hoek moest spoeden, onderwijl een biertje van de bar grissend. Vandaaruit zag ik onze hoedenman aan de bar hangen en het hardst van allemaal door de wondermuziek heen lullen. Na een onrustige nacht waarin ik voortdurend droomde dat ik in Lelystad was en een te haastig genuttigd ontbijt met veel te hete koffie spoedde ik mij met een dichterspas die verdacht veel op het snelle junkenloopje leek naar mijn auto, inderdaad met de sleutel op slothoogte al maakte dat niet uit want het was zo’n ding op afstand (dom, dom, dom, geleende auto!), en scheurde de polder uit, de noord-, midden- en zuid Veluwe door, met moeite nog tot stilstand komend voor de Rijn, naar mijn geliefde Wageningen. Volgende keer toch maar eens deze Nationale Sensatie in Wageningen houden. Zul je zien dat er daarna van diverse polderdichters beklemmende stukken verschijnen waarin ze reppen van claustrofobie vanwege de nauwe straatjes en het gebrek aan uitzicht en wie weet ook wel over de gluiperige aanblik van de gemiddelde Wageninger, ’t is maar wat je gewend bent. Over het overweldigende aanbod aan horeca binnen handbereik, vergeleken met die zuigend lege polders, zul je ze zeker niet horen klagen. Wageningen, voor al uw dienstreizen!

SLUIT
CLOSE