Koop Wagenings! Maar hoe?

Als je het goed met je woonplaats meent, wil je liever niet dat jouw boodschappengeld ver over de gemeentegrenzen verdwijnt. Je gunt het plaatselijke winkeliers en bedrijven dat ze door jouw aankoop van spullen of diensten sterker worden en in jouw omgeving meer kunnen investeren. De gemeentekas wordt er indirect ook beter van. Dat is allemaal goed voor de stad, al kun je niet van elke transactie weten waar de uiteindelijk belanghebbende zit. Lokaal geld kan dat nog verbeteren, maar dat is een onderwerp dat een aparte column en nog meer verdient. Tot zover kan ik mijzelf als niet-econoom nog volgen en ik hoop de lezer ook. “Koop Wagenings” is in elk geval mijn uitgangspunt en binnen redelijke grenzen mijn dagelijkse praktijk.
Maar Wagenings kopen wordt me niet makkelijk gemaakt, er verdwijnen veel winkels, én ik kan nergens te weten komen wie wát heeft in Wageningen. Dat geldt ook voor diensten: Wie kan wát voor mij betekenen in mijn omgeving? Wij zijn dankzij internet gewend geraakt aan overzicht om goed te kunnen kiezen, en dat wil ik op míjn tijd kunnen doen achter mijn eigen computer. De meest elementaire dingen op cultureel gebied alleen al zijn een hopeloze pelgrimage: een gitaarsnaar, een stemapparaat, een trommelvel, een klassieke of anderszins bijzondere cd, een microfoon, hoogwaardig printpapier, discolampen…Vergeet het!
Als ik met mijn boodschappentas in de stad kom word ik links en rechts ingehaald door busjes die spullen van verre webwinkels komen brengen. Kennelijk kunnen duizenden inwoners makkelijker iets op internet vinden dan in hun eigen omgeving. Voor diensten geldt waarschijnlijk hetzelfde. Ze proberen het niet eens meer. Als je de nieuwsberichten volgt neemt dat in de toekomst alleen no maar toe. Dag geld, dag winkels, hallo vervroegd ontslag! Ik ben geen trendwatcher maar de leegstand wijst er op dat de monopoliepositie van winkels als verkooppunt niet meer terugkomt en dat de daarbij behorende hoge huurprijzen, zelfs in het centrum, niet meer realistisch zijn. “Het is allemaal de schuld van het internet”, hoor ik winkeliers en vastgoedmensen zeggen. Dat vind ik maar een halve waarheid. Veel zakenmensen doen alsof het internet een natuurverschijnsel is dat zomaar geheel zonder waarschuwing over de hoofden van onschuldige werkers is komen aanwaaien, zaken wegvagend als een tsunami. Maar internet bestaat al tientallen jaren en de groei van internetwinkels – en van de handigheid op computers bij de mensen thuis – is zichtbaar geweest voor iedereen die zijn ogen openhield. Wie naast goeie ogen ook nog verstand van zaken had, kon instappen in een concurrentie-arm jachtveld met onbegrensde mogelijkheden. Het gemopper op dat natuurverschijnsel moet zo’n persoon als muziek in de oren hebben geklonken. Een ouderwets óf-óf-denken noem ik dit: passief staan wachten op klanten die zich niet meer als vroeger gedragen, omdat je je zaak met al die geschiedenis en investeringen niet los kunt laten. “Had dan én – én gedacht! Had er dan een mooie internetwinkel bij gemaakt, zodat ik thuis kon zien wie wat waar had, en ik het desgewenst in de winkel van dichtbij kon bekijken en ophalen!”, denk ik als ik weer een leeggekomen pand zie.
Omdat ik in de eerste plaats geen tijd heb om in de stad te zoeken, en omdat ik heb geleerd dat er nogal wat verschil in prijzen is, neem óók ik vaak mijn toevlucht tot internet. Met spijt, maar ook met een “eigen schuld dikke bult”- gevoel. En daarom sluit ik dit stukje af met een typische boerenverstandvraag, een verzoek dat mij zó logisch lijkt dat het wel oliedom moet zijn want anders was het al lang gerealiseerd. Na het stellen van die vraag durf ik me niet meer in het openbaar te vertonen maar ik stel hem toch omdat ik er na jaren piekeren eindelijk eens van af wil:

Wie maakt de WinkelWijzer Wageningen, een overkoepelende, door alle belanghebbenden samen gevulde website waarop je op trefwoord direct of via een werkende link kunt zien welk producten en diensten in Wageningen te vinden zijn, of het nu een Aansteker, Biertap, Campertafelpoot, Dichter, Echtscheiding, Fiets, Geestelijk verzorger, Huis, Innovator, Jojo, Kinderfeestje, Levenseinde, Moertje, Naaidoos, Ondernemer, Praktijkruimte, Quantummechanicaspecialist, Ranzige heer, Sportbeha, Tuinontwerpster, Uiensnijder, Visagist, Wereldreis, Xylofoon, IJsco of Zadelmaker betreft? Dan ben ik jullie eerste klant!

Een column van Laurens van der Zee voor www.cultuurinwageningen.nl, maart 2017

“Wageningens Kwaad” – Het boek dat je weet dat moet komen

Wie schrijft er met mij een boek? Het wordt geen fijn boek. Liever niet dus, ik heb toch al geen zitvlees voor boeken. Maar het moet er wel komen, de titel heb ik al: “Wagenings Kwaad”. Het gaat over wat er eventueel, let wel, eventuéél, mis is met Wageningen, en wat daaraan te doen valt. En dan heb ik het niet over de stad maar over de mensen. Want af en toe vraag ik me af wat voor volk er eigenlijk door onze straten schuifelt, ’s nachts of overdag. Hoe staat het eigenlijk met “Das Böse” in ons stadje? Wat is, alle plussen en minnen opgeteld, het échte Wageningen? Meer dan ooit zijn we tegenwoordig aan het “Bruisen”, “Proeven”, “Present zijn” en dingen “Samen” doen, maar wát is het waarover men niet praat? De dokter weet het, de politie, de burgemeester (hopelijk), de buurtbemiddelaar, de onderwijzer, de eerste hulp, de GGD, de GGZ, de priester, de Jeugdzorg, enzovoort. Maar iedereen zwijgt. Alleen in de kranten kom je die rare Wageningse snuiters soms tegen, drugshandel is dan nog het minste. Laatst was er een die kennelijk zijn vrouw had geslagen en verkracht – topje van de ijsberg, wie weet. Beweert ie voor de rechtbank serieus dat gedwongen seks in een huwelijk per definitie niet bestaat. Zo iemand dus. Een andere Wageninger presteerde het onlangs om in één klap vierhonderd i-phones achterover te drukken. Een groot denker, maar wel voor de verkeerde zaak. En dan al die dronken figuren met hun geschreeuw en geweld om niks, elk weekend weer. Houdt dat nou nooit op? Hoe kan het dat onvolkomenheden zich zo vaak herhalen, is er nu niemand die daar eens wat aan doet? Zit het zó diep in het menselijk bestaan? Of zijn er nog teveel mensen die achteroverleunen – ik denk aan mijn donderpreek tegen achteroverleuners, op onze pont over de Rijn, mei 2011, staande op de tafel van De Tafel van W, niet te missen dus, maar na afloop ging iedereen door met waar ie mee bezig was, de achteroverleuners dus met achteroverleunen. Moet ik soms uit protest van een brug springen? Beetje lastig in Wageningen, de enige die ik ken is het Giethoornbruggetje en daarvan wil ik het theatraal effect eerst even narekenen.

Maar goed, ze zeggen dat het Kwaad onder ons is en dat in ons allen zit. Kan zijn, maar bij sommigen komt het er dan wel heel rottig uit! Tel eens op welk percentage van onze beroepsbevolking bezig is de rest onder de duim te houden of in elk geval de schade te beperken – de P van Preventie zie je trouwens opmerkelijk weinig in afkortingen in de zorg. Het zou best eens een dik boek kunnen worden dat “Wagenings Kwaad”, misschien wel dikker dan “Geschiedenis van Wageningen”. Of heb elk nadeel ze voordeel om met Cruijff te spreken, en maken we er een USP van, een Unique Selling Point, voor het toerisme? “Wageningen, city of crime, rafelrand van de Veluwe!” Werk aan de winkel voor Rondleidingen Wageningen: “…en in dat zolderkamertje kun je je tegen betaling laten afranselen, en ziet u dat huis met die veel te dure auto? Typisch gevalletje van witte-boorden criminaliteit. Door deze verrekijker kunt u de werkkamer van een chanteur zien. Op de achtergrond zie je een reproductie van “De Vrek” van Jan Steen. De Dood die door een ruitje gluurt is afgeplakt”. In mijn stadsdichterstijd heb ik hier en daar wat regels aan Het Kwaad gewijd, ik was benieuwd hoe daar op zou worden gereageerd. Daarmee wilde ik een vraagteken zetten bij de kennelijke “normaliteit” van nare maatschappelijke verschijnselen. Het ging me niet om elk gedoe buiten de lijntjes, wie ben ik om daar over te oordelen. Maar ik vroeg me wel af of we die verschijnselen, zelfs als ze statistisch gezien binnen een zeker gemiddelde vallen, ook éthisch gezien normaal moeten vinden, en accepteren. En met die vraag zit ik nog steeds.

Ach, het gaat allemaal voorbij, het goede en het foute. Maar als we het nou voor elkaar konden krijgen dat het kwaad zich wat minder herhaalt, wat voor een leuk boek zouden we dan als vervolg op “Wagenings Kwaad” kunnen schrijven! De titel heb ik al: “Fijn Wageningen”. Vrijwilligers gevraagd, ik zorg wel voor de koffie, voor boeken heb ik nog steeds geen zitvlees …

Laurens van der Zee, mei 2016, column bij De Tafel van W (24 mei ’16) en cultuurinwageningen.nl

De meeste aangestipte teksten staan in de stadsdichtersrubriek op www.cultuurinwageningen.nl. De tekst waarin achteroverleuners gegeseld worden staat hier: http://www.laurensvanderzee.nl/installaties/42.htm

We spreken af bij de koe

Wie zegt dat hij afspreekt bij een koe zal niet voor vol worden aangezien. Maar in Wageningen kan dat. Daar staat een levensgroot dier op de hoek van de Bergstraat en de Bevrijdingsstraat. De boerderij in kwestie is de kaasspeciaalzaak ’t Zuivelhoekje. Het is hun enige koe en ze is van plastic, wat betekent dat ze bijscharrelen met eigen kaas wel kunnen vergeten. Toch is die koe belangrijk want veel buitenlanders spreken daar af. Met name bij studenten en wetenschappers uit Latijns Amerika is la vaca populair. Ze laten zich er ook graag bij fotograferen.
Zo zijn er in Wageningen meer afspreekpunten, je merkt dat vooral bij evenementen. “We zien elkaar bij de bank”, “Ik ben bij de omgevallen boekenkast”, “Ik zie je bij de fontein”, het zijn allemaal plekken die de mensen kennen en waar het goed afspreken is als je niet direct tot een consumptie wilt worden verplicht bij een afspraak in een café. Die fontein, dat is natuurlijk de fontein op de Markt met dat beeld van Berkhemer in het midden.
Die omgevallen boekenkast vind je niet bij Kniphorst of bij Bruna. Nee, het is het kunstwerk in het gazon naast de kinderboerderij. De officiële naam is “Beweging in de ruimte II”, een beeld van Piet Killaars, een tijd terug nog opgeknapt dus een niet te missen spierwit baken in een mensenzee. “We zien elkaar bij Beweging in de ruimte twee van Piet Killaars” is nogal een mond vol dus maken wij, taalmakers, er iets aardigs van.
Tenslotte nog die bank. Kijk op 5 mei eens achter Junushoff bij het minst uitgebate, mooist gelegen terras van heel Wageningen. Daar staat een imposante bakstenen bank uit het einde van de 19e eeuw, in april 2014 nog gerestaureerd. Er staat “Hulde aan D. Vreede 1819 – 1886” op, als eerbetoon aan Dirk Vreede die veel geld en energie in onze stad heeft gestoken. Op het Bevrijdingsfeest zijn jongeren niet bij die bank weg te slaan, ze spreken er af of zetten er hun spullen neer en als je na een uur terugkomt zitten ze er nog. En nu we het toch over banken hebben: op de Campus is het al precies hetzelfde. Daar is op het gazon een grote houten bank in de vorm van een vraagteken geplaatst, een geschenk van de vereniging WUgenoten. En waar worden tijdens Introductiedagen en andere evenementen tafeltjes, stoeltjes en infostands omheen geschoven, als een natuurlijk ankerpunt? Juist!

Laurens van der Zee

Opschrijfboekjes

Ik heb veel opschrijfboekjes, het ene nog mooier dan het andere. Dichters krijgen dergelijke dingen met Sinterklaas maar sommige heb ik zelf gekocht wanneer ik weer eens had besloten nu echt te gaan schrijven. Er zit een minischriftje bij van Dille en Kamille met een etiket waarop je kunt zetten van wie dat schriftje is en waar het over gaat. Ook is er een tamelijk dik bijna vierkant boekje met hele fijne ruitjes. Je gaat er vanzelf netter door schrijven en dat kan bij mij geen kwaad. Een heel prachtig boekje dat ik heb is wat groter, het heeft geen lijntjes maar wel een leeslint. De buitenkant is met goudachtige patronen bewerkt en het mooiste van al is dat het een magnetisch slotje heeft. Tot de afdeling kunstige boekjes reken ik ook een opdondertje met vreemd grof maisachtig papier, zal wel uit een ontwikkelingsland komen, met een omslag van een of andere plant. In dat formaat is er ook een soort middeleeuwse flap van leer met wat papiertjes er in gebonden met een touwtje. Dat touw kun je om de flap winden bij wijze van sluiting. Dan de dummies, die ongelijnde lege boeken met harde kaft. Ik heb een grote in het rood en in het zwart plus drie zwarte kleintjes, als bijbels zo strak en mooi. Verder een klein maar bepaald niet dun gelijnd notitieboekje met een kaft met een kleurig tafereel met blote engeltjes en een wegkwijnende ruïne, en een streng dito boekje in ’t zwart met een keihard kaft waar helemaal niets op staat. Echt een antropologen-in-de-rimboeboekje en ik kan het weten want zo eentje ben ik zelf, eigenlijk. Dan nog drie zware jongens met twee metalen ringen als binding en in de omslag een soort glas-in-loodpatroon geperst, driemaal heel veel bladzijden in respectievelijk zachtgeel, zachtgroen en zachtroze, met een flauw lijntje. Die komen van de Wageningse wereldwinkel en zo zijn er een lokaal en een mondiaal aspect in deze beschouwing geslopen. Als toetje tenslotte maar liefst twee echte Moleskins, de ene gelijnd, de andere ongelijnd, adembenemend mooi! Beide hebben een zwart elastiek om ze dicht te houden en achterin een vakje voor visitekaartjes. Voorin kun je het adres invullen waarheen de vinder dit prachtmateriaal mag terugsturen – als ik vinder was zou ik ze houden. Met twee leeslinten! Wat een prachtboekjes zijn die Moleskins, een huidje van fluweel, een babyvel is er niets bij. Met een Moleskin onder handbereik ontbreekt er niets meer om substantieel te schrijven. Ik weet het. Ik weet het.

Waarom mij nu opeens het verhaal van die oude dame te binnen schiet weet ik niet. Ze is haar hele leven ongetrouwd gebleven. Na haar overlijden ruimde familie het huis leeg. In haar linnenkast vond men de prachtigste lingerie, zeer sjiek, vaak pikant, zeker duur geweest. Het zat allemaal nog in de verpakking.

Laurens van der Zee, februari 2015

Snoepreis – een zunig stukje over de rug van hele aardige mensen die helaas niet in Wageningen wonen

Er heerste stilte bij het ontbijt in het hotel. Wakker worden in Lelystad is inderdaad niet niks. Sommigen schikken zich, anderen proberen koortsachtig te begrijpen hoe zij in deze situatie verzeild zijn geraakt. Zo vroeg ik mij af welke personen in mijzelf of in mijn omgeving ik in de afgelopen tijd dusdanig verschrikkelijk had verwaarloosd dat mijn dromenregisseur het nodig vond om als vermaan de very heavy metafoor “Lelystad” in het script te plaatsen. Eigenlijk had ik helemaal geen zin om daarover na te denken, ik wilde vooral leuk slapen en bovendien vond ik dat er net zo goed mensen in mijn omgeving waren die míj verwaarloosden althans niet ieder uur toejuichten en grote delen van hun lijf, have en goed schonken. Al met al was het dringend tijd voor de bekende noodstop, het door een kneepje in de arm beëindigen van een beklemmende droom. Zo gedacht zo gedaan.

Er heerste stilte bij het ontbijt in het hotel. Door de luxaflex die overal voor de ramen hing om de wereld nog even te verzachten zag ik een gigantisch leeg plein van louter grijze steen. Ik zag zich een magere junk losmaken van een portiek en met de bekende junkendribbel alsof ze Heel Druk zijn en een Heel Legitieme Bestemming met spoed willen bereiken, kortom het onmiskenbare junkenloopje, het plein oversteken. Hij verdween in een parkeergarage. Ik benijdde hem. Daar stond mijn auto. Waar hij was wilde ik zijn, met mijn sleutel al op slothoogte. Dat ie junk was deed me niks, ik was als Wageningse stadsdichter op dienstreis naar de jaarlijkse Nationale Stadsdichtersdag en als je 60 dichters kunt verdragen red je het ook wel met één junk. De middag was goed geweest. De dichters waren in bussen geladen, kilometers ver gereden door wat kennelijk nog steeds Lelystad heette terwijl ik dacht dat we al in Harderwijk zaten, en in groepjes van vier bij aardige mensen en hun vrienden uitgeladen om in parkachtige tuinen aan riante waterpartijen eigen werk te komen voordragen. Het avondoptreden daarentegen was een beproeving. Het was een plenaire bijeenkomst in het theater, het enige gebouw met lef in dat oord. De sleutel van de zaal was meer dan een kwartier zoek maar daarna konden we er toch mooi in. Twee oudere heren, de zielen van het Stadsdichtersgebeuren, presenteerden. Helaas hadden ze elk een verschillend draaiboek voor zich, het een uit 1643 of daaromtrent en het ander mogelijk iets recenter, waardoor ze elkaar voortdurend liepen te corrigeren, fout en terecht door mekaar heen. Het oudste mannetje maakte het wel erg bont want toen ik voor mijn optreden was opgeroepen en volgens mij onmiskenbaar op het podium stond, was hij met zijn rug naar de zaal in gesprek met het achtergordijn en riep dat bezwerend aan met mijn naam. Mogelijk was dit het draaiboek van 1643 en moest de stuurman van een op die plaats varende VOC-schuit, meters boven de huidige wereldstad, in een stukje voor de matrozen heel hard “Laurens van der Zee” naar de kapitein roepen die ongeveer ter hoogte van het huidige gordijn stond – vraag niet waarom, misschien heette die man wel zo, of was dat in die tijd een goeie mop, je probeert nu eenmaal dingen te begrijpen. Ze hadden allebei een hoed op, het oudste mannetje had de breedste rand. Natuurlijk was een lichtplan er even bij ingeschoten. Gevolg was dat de spots alleen van boven schenen en daarmee een schaduw over ’s mans gelaat wierpen waarbij vergeleken het masker van de grote Zorro een polsbandje was, je zag alleen zijn tanden blikkeren en af en toe een stukje van een lip, felroze tegen het zwart. Ik heb nog wel even de zaal verpletterd met een nieuw werkje en zat daarna vooral te wachten op het nafeest met een bandje en veel bier – dat laatste was ook de reden om van de smekend aangeboden hotelkamer in gastvrij Lelystad gebruik te gaan maken. Dat feestje was al net zo geweldig georganiseerd als de rest: Als verrassing hadden ze speciaal voor ons een klassiek duo met een neuzelige fagot en een onhoorbare klavecimbel geëngageerd. Iedereen door Telemann en consorten heen lullen natuurlijk. Na de tijd van twee biertjes, snel dus, tikte de andere hoed op de bar en riep vriendschappelijk dat dit hele mooie muziek was mensen, die het waard was om naar te luisteren en verdiend van te genieten, en dat de musici nu iets heel bijzonders gingen spelen! Wat dat was zal ik helaas nooit weten want ik wist niet hoe snel ik mij naar de verste hoek moest spoeden, onderwijl een biertje van de bar grissend. Vandaaruit zag ik onze hoedenman aan de bar hangen en het hardst van allemaal door de wondermuziek heen lullen. Na een onrustige nacht waarin ik voortdurend droomde dat ik in Lelystad was en een te haastig genuttigd ontbijt met veel te hete koffie spoedde ik mij met een dichterspas die verdacht veel op het snelle junkenloopje leek naar mijn auto, inderdaad met de sleutel op slothoogte al maakte dat niet uit want het was zo’n ding op afstand (dom, dom, dom, geleende auto!), en scheurde de polder uit, de noord-, midden- en zuid Veluwe door, met moeite nog tot stilstand komend voor de Rijn, naar mijn geliefde Wageningen. Volgende keer toch maar eens deze Nationale Sensatie in Wageningen houden. Zul je zien dat er daarna van diverse polderdichters beklemmende stukken verschijnen waarin ze reppen van claustrofobie vanwege de nauwe straatjes en het gebrek aan uitzicht en wie weet ook wel over de gluiperige aanblik van de gemiddelde Wageninger, ’t is maar wat je gewend bent. Over het overweldigende aanbod aan horeca binnen handbereik, vergeleken met die zuigend lege polders, zul je ze zeker niet horen klagen. Wageningen, voor al uw dienstreizen!

Tja, Stadsdichter

Ik prikte laatst een vorkje met Anne Vegter, Dichter des Vaderlands, en bij die gelegenheid vertelde zij dat het soms lastig is om herkenbaar te schrijven voor een groot publiek en tegelijk jezelf te blijven. “Anne”, had ik willen zeggen, “je hebt een punt, ik begrijp je helemaal, sterker nog, ik heb precies hetzelfde”. Zogenaamd bescheiden had ik er deemoedig op laten volgen “al is het bij mij als stadsdichter natuurlijk op een oneindig veel kleinere schaal”, waarop zij zou hebben gezegd dat het werk, en alleen al de aanwezigheid van ons, stadsdichters, basic is voor de positie van Het Gedicht in de Nederlandse samenleving, sterker nog, dat de dichter des vaderlands als Dichter des Vaderlands – puur toevallig zij dus – werkelijk helemaal nergens zou zijn zonder ons. Waarop ik zonder haar tegen te spreken, het punt gemaakt zijnde, attent haar glaasje nog eens vol zou schenken, het mijne daarbij niet vergetend, en met haar zou klinken op De Poëzie in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder. Om de toch al ongemakkelijke verhouding tussen voetvolk en keizerin niet verder te belasten zou ik waarschijnlijk verzwegen hebben dat het voor mij niet uitmaakt of haar gedicht op de hurken voor het klootjesvolk is geschreven of in één machtige waterval van inspiratie stromend door haarzelf als zichzelf op het benijdenswaardige papier is gestort – ik zou het verschil niet weten want haar poëtische taal blijft dezelfde en als eenvoudige Hollandse jongen snap ik sowieso maar weinig van de inhoud – nee, zoiets moet je juist dan, juist daar (Renkum!), maar niet zeggen. Maar een knappe verschijning is het wel, die Anne, ze kan geweldig vertellen over haar leven (vandaar mijn openingsregels), ze kan ongelofelijk beeldend voorlezen uit haar al dan niet Vaderlandse werk en ze heeft een stem die zelfs bij de aller – a- cultureelste onderdaan klokjes doet tinkelen. Want al zat ik op een klapstoel op de achterste rij in het overvolle zaaltje, ik kon haar verstaan, en toen ik in een hoekje van de ruimte bijna door het raam gedrukt mee mocht dineren met de literaire meute die haar het zicht op mij benam voelde ik, proefde ik, dat alles anders was, beter, dieper smaakte, alleen al doordat zij daar ergens ook moest zijn, hetzelfde opgediend kreeg, EN OOK AT, en misschien zelfs wel iets van de door mij uitgeademde maar nog steeds bijzondere asem ongemerkt tot zich nam.

Tot zover mijn avontuur met Anne Vegter en terug naar de schaal van mijn eigen Leven en Werken. Ik ben nu bijna twee jaar stadsdichter van Wageningen (Noorderbreedte 51.964985, Oosterlengte 5.662905) en heb in tegenstelling tot veel andere stads- en gemeentedichters nog meer dan een jaar te gaan, tot en met januari 2015. Drie jaar in totaal. De meesten van ons zijn korter in functie, met uitzondering van een over wie ik op onze jaarlijkse Nationale Stadsdichters Conferentie te Lelystad (!) hoorde vertellen dat ie het al ruim vijf jaar is omdat het Bestuur hem vergeten is. En zo is er ook eentje die na twee jaar te horen kreeg dat het geld op was maar als ze nou per se wilde nog wel een jaartje mocht doorgaan, mits onbezoldigd. Daarbij steekt mijn soldij van 750 per jaar voor vijf Stadsgedichten en ook nog eens komende voordragen (eigenlijk een kunstwerk op zich) nog redelijk af – hoewel natuurlijk zeer voor verbetering vatbaar. Maar ja, de eer hè. Wat de toekomst brengen moge, God verhoede dat het dezelfde hand is als die ’t Venster geleidt, het zwaar gekorte cultuurcentrum bij mij op de hoek. Een beetje stad heeft een Stadsdichter, punt uit, maar het staat bij ons nergens zwart op wit. Dat Anne en ik soms vanwege de functie die ons gedicht moet krijgen de dingen iets anders verwoorden dan wij in volle vrijheid zouden hebben gedaan, het zij zo – zo heb ik in mijn openingsgedicht voor de viering van 750 jaar stadsrechten op 10 januari van dit jaar, toen ik wist dat mijn woorden in de vrieskou in de openlucht op de Markt voor een menigte van duizenden mensen via luidsprekers zouden gaan klinken, hier en daar wat rijm ingebouwd om het luisteren te vergemakkelijken – maar als het goed is, en dat is het bij ons (mag ik “wij” zeggen, Anne?), blijft onze dichterlijke boodschap, die “andere” kijk die toch in angstige en blijde spanning van ons wordt verwacht, volledig dezelfde. Mijn bovengenoemde gedicht van 10 januari 2013, bijvoorbeeld, verwoordt ten volle mijn bewondering voor de stichters van Wageningen, ploeteraars van het eerste uur. Wij staan op hun schouders, generatie op generatie, we hebben een geschiedenis en we hebben een verantwoordelijkheid voor de toekomst, en uit de vele reacties maak ik op dat de mensen het goed vonden dat dat op dat moment gezegd werd. Zo ook mijn gedicht bij de aanvang van de Stille Tocht, ’s avonds op 4 mei vorig jaar, ook op de Markt, nu vanaf het bordes van het stadhuis, ook voor een grote menigte en door een geluidsinstallatie die elke beschrijving tart: “Elke stap een naam, elke stap een mens, in onvrijheid gestorven” – met opzet kernachtige woorden, met opzet direct volgbare zinsconstructies, maar wel uit mijn hart en tot mijn vreugde ook aangekomen in het hart van veel mensen. Nee, dan mijn allereerste stadsgedicht, nauwelijks drie weken na verkiezing! Ik zou Wageningen wel eens laten weten dat de Stadsdichter daar is! Vol van een inspirerend jazzconcert in de ronde serre van het toenmalige hotel De Wageningse Berg, vol bewondering voor het Gewone, namelijk de vanzelfsprekendheid dat heel Wageningen zonder omhaal op de Uiterwaarden schaatst zodra ze bevroren zijn, en vol verwondering (let op het verschil tussen bewondering en verwondering) over de kennelijk al net zo vanzelfsprekende carnavalsviering in dit gat boven de rivieren, heb ik me daar een Poëem geproduceerd, wel, niemand snapte het. Waarop ik in de merkwaardige maar heftige gemoedstoestand van schrik plus hilariteit twee A4tjes toelichting uit de machine heb gerammeld, alweer een kunstwerk natuurlijk, dat waarschijnlijk ook weer niemand snapte en wat je sowieso natuurlijk nooit moet doen. “Oei, hebben wij dit gewild?”, moet Hoefsloot, de verantwoordelijke wethouder, gedacht hebben. Ik hoop dat ie inmiddels gerustgesteld is – lees je me eigenlijk, Lex? – en dat ie ook een tweede stadsdichter van Wageningen een kans geeft. Graag een jongere generatie wat mij betreft, maar wel een die geleden heeft, want anders begrijp je natuurlijk niks van het leven en dat moet je als stadsdichter nou juist aan de rest uitleggen!

 

Laurens van der Zee, eerste stadsdichter van Wageningen, in zijn column op www.cultuurinwageningen.nl, november 2013.

KIJK OM JE HEEN

Relatieproblemen
De Spijspotten zijn weggehaald! Vlak voor Kerst is het gebeurd. Nu is het echt uit tussen Wageningen en de Universiteit. Die zou ons eeuwig voeden in ruil voor een plek om te wonen, te werken, te leren en te spelen voor al haar studenten en medewerkers. Het is alsof een geliefde haar sleutels heeft teruggevraagd. Daar staat ze, met de rug naar je toe, armen over elkaar, kin omhoog. En jij staat er handwringend bij en weet niet wat je gedaan hebt om haar zó te verliezen. En vooral, wat je had moeten doen om haar niet kwijt te raken. Dat jij dat niet weet vindt zij weer stom. “Ik had zeker een kasteel voor je moeten bouwen, met een rode loper!” roep je woedend in je onmacht. Het antwoord is natuurlijk ja maar van een afstand zien we de dingen altijd scherper. Laten we het er even niet meer over hebben, ’t kan ook best weer goedkomen.  Laten we het over iets anders hebben, die Spijspotten zelf. Ik ga daar een heel eind op door want ik heb verderop een boodschap.

De Spijspotten
De Spijspotten hebben hun functie als beeldende kunst in de openbare ruimte geweldig vervuld en dat zullen ze op het Campusterrein waar ze zojuist zijn neergezet, tussen de Mansholtlaan en het Atlasgebouw, zeker weer doen: Mooi, krachtig, evenwichtig en met een sterke symboliek. Nu ze weg zijn zet ik er de schijnwerper op: De “Dans van de Spijspotten”, een groep van zeven bronskleurige aluminium vaten van 190 cm hoog, is in 1990 onthuld bij de opening van het Bestuurscentrum van Wageningen UR aan de Costerweg. Ze zijn gemaakt door beeldhouwer en omgevingskunstenaar Bas Maters. Hij leefde aan de rand van de Veluwe (Arnhem – De Steeg) van 1949 tot 2006. Hij was docent en vrij kunstenaar. Hij moet een inspirerend en charismatisch mens zijn geweest. In een van zijn rouwadvertenties las ik onder meer “een leven zonder hem is onvoorstelbaar”. Er staan 83 namen onder alleen al die ene advertentie. De Universiteit heeft bij haar 80ste verjaardag miniaturen van de Spijspotten laten maken in een schaal van 1 op 30. De dichteres Hester Knibbe heeft er een gedicht over geschreven, “Hongerpotten”, dat in 2004 in druk en in handschrift is opgenomen in de bundel “Water en Vuur – beelden en gedichten” (Uitgeverij Phidias) en in 2005 is afgedrukt in de bundel “ De buigzaamheid van steen”, uitgegeven door De Arbeiderspers. De Spijspotten zijn in 2010 beschreven door Petra Leenknecht, met een mooie foto van Carleen van den Anker, in het boek “Gebonden Verbeelding – Wageningse beelden bij hun gebouwen” van het Wageningse Comité Open Monumentendag.  Daarnaast is het natuurlijk in vakliteratuur vermeld. Het werk heeft, kortom, het respect en de documentatie gekregen die het verdient. Dat is wel eens anders en daarom geeft ik deze column de titel “Kijk om je heen”. Want dat is  mijn boodschap: We leven in Wageningen te midden van een massa kunst en andere visuele tekenen in de openbare ruimte maar hebben het er eigenlijk nooit over. De enige die er iets mee doet is Rondleidingen Wageningen in de vorm van een kleine kunstfietstocht. Het wordt tijd om er beter op te letten.

Beelden van Wageningen
De beelden van Wageningen lijken wel bij de omgeving te horen. Ze kunnen beschadigd of heel zijn, goed of slecht gedocumenteerd, verdwijnen en wegblijven of elders opduiken, er kan er zomaar eentje bijkomen; het is en blijft stil om ze heen. Dat heb ik ondervonden toen ik van voorjaar 2010 tot voorjaar 2011 in opdracht van de Gemeente Wageningen alle kunst in de openbare ruimte ging inventariseren. Bovenstaande gegevens over de Spijspotten en nóg massa’s feiten en foto’s  heb ik toen bij elkaar gehaald of zelf geproduceerd, Leo Eppink van Rondleidingen Wageningen heeft hierbij geholpen. Die organisatie, Cultuurinwageningen.nl, Platform Beroepskunstenaars Wageningen en Wageningen Monumentaal waren bij de voorbereidingen betrokken. Wageningen UR toonde interesse en leverde informatie. Het ging om de Wageningse bijdrage aan de website die de Provincie Gelderland in het leven wilde roepen om alle kunst in de openbare ruimte in Gelderland te inventariseren en zichtbaar te maken. Het model hiervoor was de site van de kunst in Nijmegen, nijmegen.nl/kos (Kunst Op Straat). De website beeldenvangelderland.nl is in juni van dit jaar van start gegaan. Het is een enorme klus geweest. Heel mooi dat ie er toch is gekomen, het is een schat aan informatie. Ik hoop dat ie wat gebruiksvriendelijker wordt en hopelijk komt er financiële armslag om correcties en updates uit te blijven voeren, om de rubriek kunstenaarsinformatie alsnog toe te voegen en om een versie voor smartphones te maken. Wageningen komt er op die site heel fraai af met op dit moment 94 vermelde beelden,  al is lang niet al mijn documentatie gebruikt en zijn ruim 90 specifiek Wageningse visuele objecten buiten de criteria gevallen  – materiaal dat staat te springen om een boekje, folder en/of website. Evengoed is de score aan opgenomen objecten hoog voor zo’n kleine gemeente, je ziet dat als je bij andere gemeentes kijkt. In Wageningen hebben duidelijk twee portemonnees, namelijk de gemeente en de universiteit, de aankopen gedaan. En dan zijn er ook nog particuliere bezittingen. Toen ik me inwerkte bemerkte ik de wisselende kwaliteit van de documentatie over al die kunst. Het meeste was redelijk beschreven, hetzij door de eigenaars, hetzij door anderen, maar ik denk dat het veel beter kan en moet.

Schrik en ontdekking
Veel recente veranderingen en verplaatsingen waren niet gedocumenteerd, er zit meer beweging in beeldende kunst in de openbare ruimte dan je denkt. Er zaten ook dieptepunten bij. Ik ga  niet met het vingertje wijzen maar ik noem er een paar om een indruk te geven. Particulier: Het Droomhuis is de documentatie kwijt over het beeld uit Zimbabwe – een moeder met kinderen –  dat in de tuin staat. WUR: Jarenlang heeft niemand geweten van wie de witte stalen kolom was ten noorden van de Campus, voor een gebouw van Unifarm (vroeger de Plantenziektenkundige Dienst). We vonden uit dat het van Margot Zanstra is. En van het beeld  van Vin Phuong , westelijk op de Campus, ontbreekt al jaren het grote bronzen schild. Gemeente: De maker van het tegeltableau op de Jenaplanschool, hoek Nobelweg – Dolderstraat, is onbekend. Bovendien is de helft er afgehakt ten behoeve van een aanbouw. Pantarijn: Een groot baksteenreliëf van Johan van Reede bij de ingang van het oude gebouw is bij de sloop in 2007 vernietigd. Belmonte / Beelden op de Berg: De installatie “Rolling Stone” door Ben Joosten, ter nagedachtenis aan Arboretumdirecteur Onno Wijnands, is verdwenen, de houten balken zijn verrot en uiteindelijk weggegooid, het tekstplaatje en de touwen zijn weg,  de gebruikte natuursteen ligt naamloos in het bos. Kerk: Het houten reliëf boven een zijdeur van de Grote Kerk op de Markt wordt al jaren ontsierd door een bovenmaatse noodverlichting. Wolfswaard: De inscriptie naast de voordeur die op de geschiedenis van dit historische pand duidt, en op de rol als verzetshaard in WO II (het geroofde bevolkingsregister moet daar nog ergens onder de grond zitten), gaat schuil achter een rozenstruik. Tenslotte: Helemaal schrikken was de roof, begin 2011, van het bronzen beeld van Marian Gobius voor de deur van de Hotelschool aan de Marijkeweg, een plastiek ter herinnering aan 50 jaar Maalderij en Bakkerij. Ik had het net voorgedragen voor opname op beeldenvangelderland.nl, maar kon het weer schrappen.

Kijk om je heen
Gelukkig staan hier mooie “ontdekkingen” tijdens mijn inventarisatie tegenover: De tegeltableau’s bij firma Zents achter de Hoogstraat (onlangs nog uitgebreid), de openluchttafel van Sharon Burggraaf op de Eng, het grindmozaïek van Lex van Voorst bij het voormalige postkantoor, de nieuwe gevelstenen door Toon Rijkers aan de Burgtstraat – Vijzelstraat, de muurschildering over de geschiedenis van Wageningen door Leang Leang in de Riemsdijkstraat, de Gedachtebank van Arjanne van der Spek zolang ie er nog staat aan de Costerweg, het conceptuele, dus niet meer zichtbare, huwelijk van drie eiken in het Arboretum door De Groot, Hindriks en Kamphuis, mozaïeken van Wim Mulder en Leo Schatz uit de WUR-gebouwen langs Kortenoord die nu in restauratie zijn en terugkomen in de wijk Nieuw Kortenoord, het monument voor niet uit Indië teruggekeerden aan de Costerweg, en nog meer – ik heb er in april 2011 in de bblthk een presentatie over gegeven, en daarbij suggesties gedaan voor themaroutes. Kortom: De Spijspotten zijn “weg”, er is of gaat nog meer van zijn plaats, maar er zijn nog vele beelden, plaquettes, reliëfs, inscripties en andere visuele kenmerken op te merken en te overdenken. Ze vormen mede het mozaïek van de identiteit van Wageningen en verdienen daarom aandacht. Dus kijk om je heen in 2012!

Laurens van der Zee voor cultuurinwageningen.nl, december 2011