schilderen op straat

Op tv zag ik beelden van een streetpaintfestival in Valkenburg. Grote schilderijen lagen op straat getekend. Het was gemaakt met pastelkrijt. Naakt en kwetsbaar voor de wind die zou opsteken en de regen die zou neerslaan.
Alle elementen zouden het vervagen.
Ze waren groot. De schilderijen. Ze waren zo weergegeven alsof ze op doek zo naast de nachtwacht zouden kunnen hangen. Plooien van stof, engelen, mysterieus. Maar ze waren niet geschilderd op doek
Ze waren gerangschikt zoals de steden en de bouw gerangschikt is. In een rijtje.
Het zou mooi zijn als ze beelden lieten zien van na een week. Als de storm erover heen geraasd is. Of het zonlicht de kleuren heeft veranderd.

Er zijn veel straten. Ook poorten. Naast ons oude huis was een poort. Waar ik opgroeide. Deze poort is 3 meter breed en vijf meter lang naar mijn schatting. Het had geen echt perspectief die in een punt eindigde. Daarvoor moest je naar het station en de treinrails. Ik zou daar natuurlijk de hemelpoort kunnen tekenen als ik snel zou kunnen werken en de mensen niet wakker zou maken.
In plaats van het grint en de bal die overal tegen aan stuiterde, zouden we nu een engel van verlossing kunnen tekenen. Een engel met een trompet.
Maar goden moeten donderen. Dat zit nu eenmaal in mijn systeem.
De zeegod is Neptunus. Goed voor ontgroeningsfeesten op schepen. Waar zij weer zongen: “In de hemel is geen bier. Daarom drinken we het hier.”

Vanaf deze hemelpoort zou ik door kunnen tekenen en schilderen. De hele stad door. Kleuren, kleuren in de grijze massa. Wel water genoeg. Vier rivieren. Naar het hofkwartier en de plek waar de dordtse synode is gehouden. In welke eeuw leef ik nu?
Ik zie de boeken staan. Hoor de stemmen van een klaaglijk geluid. De wolkenluchten zijn van koper en het gebed is als een traan die niet in Gods fles wordt vergaderd. Helemaal geen scheepjes in de havens voor de Dom van Dordrecht.
Laat de bus maar wegrijden, de ziekenauto geeft geluid, dwars door het verloren paradijs.

We waren toch al gevallenen. In de oorlog. In het paradijs. We bouwden weer op. Dat dan weer wel. De vorige generatie tenminste.

Iedereen heeft die iconen in zijn hoofd. Engelen worden meestal met vleugels weergegeven.
En in mijn leven kan ik niet om het Lam Gods heen. Op de middelbare school was dit het reisje. In Gent zouden we naar de sint Baafskathedraal gaan om het Lam Gods te bekijken. Terwijl drommen scholieren de kaarsjes en de bidstoelen bekeken en puberende stemmen veel te hard de kerk doorgalmden, probeerde de leraar ons iets mee te geven van de betekenis. Een schaap. Een lam. Onschuldig ter slachting geleid. Je kon om het schilderij heenlopen. Vooral dat maakte indruk.
De stilte werd ontluisterd door een koppel duiven die zich ophielden bij de uitgang. Duiven, wit en rein zwierden en scheten. En altijd weer met mijn hoofd als mikpunt als ik probeerde om me iets voor te stellen bij God door de eeuwen heen. “Derrie in mijn haar,” fluisterde ik, terwijl de leraar telde of we compleet waren.
Mijn vader deed dat ook altijd. Tellen of we compleet waren. Maar dan alleen bij zijn eigen kinderen.

Maar dit alles was niet alleen bedoeld voor gelovigen. Het schilderij maakte onderdeel uit van de kunstgeschiedenis en daarom gingen we er met de kunstacademie weer heen.
De leraar kwam naast me staan. “Het lam Gods.” Fluisterde hij.
“Ja, het Lam Gods,” herhaalde ik. Sinds wanneer fluisteren mannen?
Ik was vooral benieuwd hoe hij de betekenis zou omschrijven van het lam gods.
Het lam gods zag er vredig uit. En kreeg toeristen stil.

Ik wil binnenkort naar het Catharijneconvent in Utrecht realiseer ik me nu.

Troost zoeken.

Of op zoek gaan naar hoe mensen verschillende vormen van goden beleven. Hoe mensen god tekenen. Zelf mijn godsbeeld tekenen.
Maar hoe kan een mens God scheppen? Ik kan alleen een droom weergeven.

Hmm..

Welkom op deze aarde. Wake up.

Marjan Verloop