Snoepreis – een zunig stukje over de rug van hele aardige mensen die helaas niet in Wageningen wonen

Er heerste stilte bij het ontbijt in het hotel. Wakker worden in Lelystad is inderdaad niet niks. Sommigen schikken zich, anderen proberen koortsachtig te begrijpen hoe zij in deze situatie verzeild zijn geraakt. Zo vroeg ik mij af welke personen in mijzelf of in mijn omgeving ik in de afgelopen tijd dusdanig verschrikkelijk had verwaarloosd dat mijn dromenregisseur het nodig vond om als vermaan de very heavy metafoor “Lelystad” in het script te plaatsen. Eigenlijk had ik helemaal geen zin om daarover na te denken, ik wilde vooral leuk slapen en bovendien vond ik dat er net zo goed mensen in mijn omgeving waren die míj verwaarloosden althans niet ieder uur toejuichten en grote delen van hun lijf, have en goed schonken. Al met al was het dringend tijd voor de bekende noodstop, het door een kneepje in de arm beëindigen van een beklemmende droom. Zo gedacht zo gedaan.

Er heerste stilte bij het ontbijt in het hotel. Door de luxaflex die overal voor de ramen hing om de wereld nog even te verzachten zag ik een gigantisch leeg plein van louter grijze steen. Ik zag zich een magere junk losmaken van een portiek en met de bekende junkendribbel alsof ze Heel Druk zijn en een Heel Legitieme Bestemming met spoed willen bereiken, kortom het onmiskenbare junkenloopje, het plein oversteken. Hij verdween in een parkeergarage. Ik benijdde hem. Daar stond mijn auto. Waar hij was wilde ik zijn, met mijn sleutel al op slothoogte. Dat ie junk was deed me niks, ik was als Wageningse stadsdichter op dienstreis naar de jaarlijkse Nationale Stadsdichtersdag en als je 60 dichters kunt verdragen red je het ook wel met één junk. De middag was goed geweest. De dichters waren in bussen geladen, kilometers ver gereden door wat kennelijk nog steeds Lelystad heette terwijl ik dacht dat we al in Harderwijk zaten, en in groepjes van vier bij aardige mensen en hun vrienden uitgeladen om in parkachtige tuinen aan riante waterpartijen eigen werk te komen voordragen. Het avondoptreden daarentegen was een beproeving. Het was een plenaire bijeenkomst in het theater, het enige gebouw met lef in dat oord. De sleutel van de zaal was meer dan een kwartier zoek maar daarna konden we er toch mooi in. Twee oudere heren, de zielen van het Stadsdichtersgebeuren, presenteerden. Helaas hadden ze elk een verschillend draaiboek voor zich, het een uit 1643 of daaromtrent en het ander mogelijk iets recenter, waardoor ze elkaar voortdurend liepen te corrigeren, fout en terecht door mekaar heen. Het oudste mannetje maakte het wel erg bont want toen ik voor mijn optreden was opgeroepen en volgens mij onmiskenbaar op het podium stond, was hij met zijn rug naar de zaal in gesprek met het achtergordijn en riep dat bezwerend aan met mijn naam. Mogelijk was dit het draaiboek van 1643 en moest de stuurman van een op die plaats varende VOC-schuit, meters boven de huidige wereldstad, in een stukje voor de matrozen heel hard “Laurens van der Zee” naar de kapitein roepen die ongeveer ter hoogte van het huidige gordijn stond – vraag niet waarom, misschien heette die man wel zo, of was dat in die tijd een goeie mop, je probeert nu eenmaal dingen te begrijpen. Ze hadden allebei een hoed op, het oudste mannetje had de breedste rand. Natuurlijk was een lichtplan er even bij ingeschoten. Gevolg was dat de spots alleen van boven schenen en daarmee een schaduw over ’s mans gelaat wierpen waarbij vergeleken het masker van de grote Zorro een polsbandje was, je zag alleen zijn tanden blikkeren en af en toe een stukje van een lip, felroze tegen het zwart. Ik heb nog wel even de zaal verpletterd met een nieuw werkje en zat daarna vooral te wachten op het nafeest met een bandje en veel bier – dat laatste was ook de reden om van de smekend aangeboden hotelkamer in gastvrij Lelystad gebruik te gaan maken. Dat feestje was al net zo geweldig georganiseerd als de rest: Als verrassing hadden ze speciaal voor ons een klassiek duo met een neuzelige fagot en een onhoorbare klavecimbel geëngageerd. Iedereen door Telemann en consorten heen lullen natuurlijk. Na de tijd van twee biertjes, snel dus, tikte de andere hoed op de bar en riep vriendschappelijk dat dit hele mooie muziek was mensen, die het waard was om naar te luisteren en verdiend van te genieten, en dat de musici nu iets heel bijzonders gingen spelen! Wat dat was zal ik helaas nooit weten want ik wist niet hoe snel ik mij naar de verste hoek moest spoeden, onderwijl een biertje van de bar grissend. Vandaaruit zag ik onze hoedenman aan de bar hangen en het hardst van allemaal door de wondermuziek heen lullen. Na een onrustige nacht waarin ik voortdurend droomde dat ik in Lelystad was en een te haastig genuttigd ontbijt met veel te hete koffie spoedde ik mij met een dichterspas die verdacht veel op het snelle junkenloopje leek naar mijn auto, inderdaad met de sleutel op slothoogte al maakte dat niet uit want het was zo’n ding op afstand (dom, dom, dom, geleende auto!), en scheurde de polder uit, de noord-, midden- en zuid Veluwe door, met moeite nog tot stilstand komend voor de Rijn, naar mijn geliefde Wageningen. Volgende keer toch maar eens deze Nationale Sensatie in Wageningen houden. Zul je zien dat er daarna van diverse polderdichters beklemmende stukken verschijnen waarin ze reppen van claustrofobie vanwege de nauwe straatjes en het gebrek aan uitzicht en wie weet ook wel over de gluiperige aanblik van de gemiddelde Wageninger, ’t is maar wat je gewend bent. Over het overweldigende aanbod aan horeca binnen handbereik, vergeleken met die zuigend lege polders, zul je ze zeker niet horen klagen. Wageningen, voor al uw dienstreizen!