Speculatie staete, de Wageningse sensatie

Met een ladder, een onschuldig gezicht en een omweg bewogen mijn vriendin en ik ons over het ijs van de lange winter. Het was koud, nacht en Wageningen, het moet zo’n twee maanden terug zijn geweest. We hadden ingestudeerd wat we zouden zeggen als de politie langszij kwam en vroeg ”Wat zijn wij met die ladder, dat onschuldige gezicht en die omweg aan het doen, zo midden in de nacht in deze fraaie stad? “. We wisten dat we onze ingestudeerde smoes geen seconde overeind konden houden. Daarvoor zijn wij te gewoon. Wij doen ons ding – toegegeven, dat zijn er meer dan één – en proberen met zo weinig mogelijk complicaties zoveel mogelijk geluk rond te strooien. Maar gehaaid of brutaal kun je ons niet noemen. Daarom gingen wij peentjes zwetend door de nacht. Want wij gingen iets onreglementairs doen, iets wat waarschijnlijk niet mocht. Iets, waar vast wel een of twee meneren boos over zouden worden. Immers, behalve die ladder droegen wij een vuilniszak. En in die vuilniszak zat een Aanklacht. Het was een naambord dat wij zelf hadden bedacht en geschilderd. Bij de ruïne van Kirpestein hielden wij halt. Al jaren vervuilt de ruïne van Kirpestein de oostelijke entree van Wageningen. En de westelijke vanuit de Churchillweg er nog bij. Bijna iedereen die in de “Estafette van Wageningen” in de krant komt, noemt Kirpestein de lelijkste plek. Puin, onkruid, scheve hekken en een bouwval die puur uit berekening overeind wordt gehouden, wekken al jaren de indruk dat wie Wageningen binnenkomt alle hoop moet laten varen. Daar zijn Anneke en ik het niet mee eens want wij vinden Wageningen minstens zo goed als alle andere plaatsen en eigenlijk nog veel beter, als je in de juiste circuits zit. En geluksvogels die we zijn, wonen we ook nog es zo leuk dat je wel gek bent om te vertrekken. Trouwens, muzikaal en dichterlijk bekeken kunnen we dat Wageningen natuurlijk ook niet aandoen. Vandaar dat wij nu uit beschaafde woede een echte Actie gingen plegen. Anneke hield de ladder vast en ik klom met ons naambord naar boven, hamer en spijkers als een zeerover tussen de tanden. In het bord hadden wij thuis al gaatjes geboord zodat we snel klaar zouden zijn en onmiddellijk de Plaats Delict konden verlaten. De voegen die ik onopvallend langsfietsend als zacht had ingeschat, bleken van vooroorlogse degelijkheid, het leek wel beton. Met al mijn kracht heb ik dus in die nacht, in die kou, met die hamer moeten beuken om ons bord te doen beklijven. Het is een mooie vlammende aanklacht geworden, een die in zijn onverbloemdheid, gemengd met dodelijke ironie, de schuldigen het schaamrood op de kaken zal jagen. Haast u, lees en huiver: SPECULAETIE STAETE is voortaan de naam van die puist. Afijn, met kloppend hart naar huis, wachten bij de telefoon op reacties van vrienden. Ze zouden direct zien dat wij daar achter zaten. De verschijning van deze aanklacht zou door Wageningen gaan gonzen, in de media, zelfs in de politiek, en de vraag wie achter deze stunt zit zou het gesprek van de dag zijn. Wij niks zeggen natuurlijk. We hebben gewoon onze burgerplicht gedaan. Het ging ons niet om de eer, wij zijn gewoon…, afijn zie boven. Nou ja, enkele weken gewacht. Mail gecheckt en dubbel gecheckt. Niets. Alle kranten gelezen. Niets. Paar keer langs de Churchillweg gelopen. Rust. Ons begeven tussen de boodschappende menigte bij Albert Heijn, de uitbuikende verlaters van de nieuwe Indonesiër, zelfs op de hoek hondenbrokken gekocht al lust ik ze niet. Ja hoor, het hangt er wel degelijk protest te wezen, je kunt er gewoon niet omheen. Vinden wij. Zeg, in wat voor een stad leven we eigenlijk?

– Laurens van der Zee