Tja, Stadsdichter

Ik prikte laatst een vorkje met Anne Vegter, Dichter des Vaderlands, en bij die gelegenheid vertelde zij dat het soms lastig is om herkenbaar te schrijven voor een groot publiek en tegelijk jezelf te blijven. “Anne”, had ik willen zeggen, “je hebt een punt, ik begrijp je helemaal, sterker nog, ik heb precies hetzelfde”. Zogenaamd bescheiden had ik er deemoedig op laten volgen “al is het bij mij als stadsdichter natuurlijk op een oneindig veel kleinere schaal”, waarop zij zou hebben gezegd dat het werk, en alleen al de aanwezigheid van ons, stadsdichters, basic is voor de positie van Het Gedicht in de Nederlandse samenleving, sterker nog, dat de dichter des vaderlands als Dichter des Vaderlands – puur toevallig zij dus – werkelijk helemaal nergens zou zijn zonder ons. Waarop ik zonder haar tegen te spreken, het punt gemaakt zijnde, attent haar glaasje nog eens vol zou schenken, het mijne daarbij niet vergetend, en met haar zou klinken op De Poëzie in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder. Om de toch al ongemakkelijke verhouding tussen voetvolk en keizerin niet verder te belasten zou ik waarschijnlijk verzwegen hebben dat het voor mij niet uitmaakt of haar gedicht op de hurken voor het klootjesvolk is geschreven of in één machtige waterval van inspiratie stromend door haarzelf als zichzelf op het benijdenswaardige papier is gestort – ik zou het verschil niet weten want haar poëtische taal blijft dezelfde en als eenvoudige Hollandse jongen snap ik sowieso maar weinig van de inhoud – nee, zoiets moet je juist dan, juist daar (Renkum!), maar niet zeggen. Maar een knappe verschijning is het wel, die Anne, ze kan geweldig vertellen over haar leven (vandaar mijn openingsregels), ze kan ongelofelijk beeldend voorlezen uit haar al dan niet Vaderlandse werk en ze heeft een stem die zelfs bij de aller – a- cultureelste onderdaan klokjes doet tinkelen. Want al zat ik op een klapstoel op de achterste rij in het overvolle zaaltje, ik kon haar verstaan, en toen ik in een hoekje van de ruimte bijna door het raam gedrukt mee mocht dineren met de literaire meute die haar het zicht op mij benam voelde ik, proefde ik, dat alles anders was, beter, dieper smaakte, alleen al doordat zij daar ergens ook moest zijn, hetzelfde opgediend kreeg, EN OOK AT, en misschien zelfs wel iets van de door mij uitgeademde maar nog steeds bijzondere asem ongemerkt tot zich nam.

Tot zover mijn avontuur met Anne Vegter en terug naar de schaal van mijn eigen Leven en Werken. Ik ben nu bijna twee jaar stadsdichter van Wageningen (Noorderbreedte 51.964985, Oosterlengte 5.662905) en heb in tegenstelling tot veel andere stads- en gemeentedichters nog meer dan een jaar te gaan, tot en met januari 2015. Drie jaar in totaal. De meesten van ons zijn korter in functie, met uitzondering van een over wie ik op onze jaarlijkse Nationale Stadsdichters Conferentie te Lelystad (!) hoorde vertellen dat ie het al ruim vijf jaar is omdat het Bestuur hem vergeten is. En zo is er ook eentje die na twee jaar te horen kreeg dat het geld op was maar als ze nou per se wilde nog wel een jaartje mocht doorgaan, mits onbezoldigd. Daarbij steekt mijn soldij van 750 per jaar voor vijf Stadsgedichten en ook nog eens komende voordragen (eigenlijk een kunstwerk op zich) nog redelijk af – hoewel natuurlijk zeer voor verbetering vatbaar. Maar ja, de eer hè. Wat de toekomst brengen moge, God verhoede dat het dezelfde hand is als die ’t Venster geleidt, het zwaar gekorte cultuurcentrum bij mij op de hoek. Een beetje stad heeft een Stadsdichter, punt uit, maar het staat bij ons nergens zwart op wit. Dat Anne en ik soms vanwege de functie die ons gedicht moet krijgen de dingen iets anders verwoorden dan wij in volle vrijheid zouden hebben gedaan, het zij zo – zo heb ik in mijn openingsgedicht voor de viering van 750 jaar stadsrechten op 10 januari van dit jaar, toen ik wist dat mijn woorden in de vrieskou in de openlucht op de Markt voor een menigte van duizenden mensen via luidsprekers zouden gaan klinken, hier en daar wat rijm ingebouwd om het luisteren te vergemakkelijken – maar als het goed is, en dat is het bij ons (mag ik “wij” zeggen, Anne?), blijft onze dichterlijke boodschap, die “andere” kijk die toch in angstige en blijde spanning van ons wordt verwacht, volledig dezelfde. Mijn bovengenoemde gedicht van 10 januari 2013, bijvoorbeeld, verwoordt ten volle mijn bewondering voor de stichters van Wageningen, ploeteraars van het eerste uur. Wij staan op hun schouders, generatie op generatie, we hebben een geschiedenis en we hebben een verantwoordelijkheid voor de toekomst, en uit de vele reacties maak ik op dat de mensen het goed vonden dat dat op dat moment gezegd werd. Zo ook mijn gedicht bij de aanvang van de Stille Tocht, ’s avonds op 4 mei vorig jaar, ook op de Markt, nu vanaf het bordes van het stadhuis, ook voor een grote menigte en door een geluidsinstallatie die elke beschrijving tart: “Elke stap een naam, elke stap een mens, in onvrijheid gestorven” – met opzet kernachtige woorden, met opzet direct volgbare zinsconstructies, maar wel uit mijn hart en tot mijn vreugde ook aangekomen in het hart van veel mensen. Nee, dan mijn allereerste stadsgedicht, nauwelijks drie weken na verkiezing! Ik zou Wageningen wel eens laten weten dat de Stadsdichter daar is! Vol van een inspirerend jazzconcert in de ronde serre van het toenmalige hotel De Wageningse Berg, vol bewondering voor het Gewone, namelijk de vanzelfsprekendheid dat heel Wageningen zonder omhaal op de Uiterwaarden schaatst zodra ze bevroren zijn, en vol verwondering (let op het verschil tussen bewondering en verwondering) over de kennelijk al net zo vanzelfsprekende carnavalsviering in dit gat boven de rivieren, heb ik me daar een Poëem geproduceerd, wel, niemand snapte het. Waarop ik in de merkwaardige maar heftige gemoedstoestand van schrik plus hilariteit twee A4tjes toelichting uit de machine heb gerammeld, alweer een kunstwerk natuurlijk, dat waarschijnlijk ook weer niemand snapte en wat je sowieso natuurlijk nooit moet doen. “Oei, hebben wij dit gewild?”, moet Hoefsloot, de verantwoordelijke wethouder, gedacht hebben. Ik hoop dat ie inmiddels gerustgesteld is – lees je me eigenlijk, Lex? – en dat ie ook een tweede stadsdichter van Wageningen een kans geeft. Graag een jongere generatie wat mij betreft, maar wel een die geleden heeft, want anders begrijp je natuurlijk niks van het leven en dat moet je als stadsdichter nou juist aan de rest uitleggen!

 

Laurens van der Zee, eerste stadsdichter van Wageningen, in zijn column op www.cultuurinwageningen.nl, november 2013.

Een reactie plaatsen