Ze schrijft alsof ze uit de toekomst komt

Ze schrijft alsof ze uit de toekomst komt

او دختر صحبت میکند مثل اینکه او از اینده امده باشد

Ik antwoord achterstevoren met de vraag:

من جواب دادم به شکل دیگری همرا ه با سوالی:

Hoeveel hoop zit er in morgen?

چقدر امید وآرزواست برفردا؟

Ik lees het antwoord terug:

من میخوانم جواب را دوباره:

Welke plannen heeft vandaag?

کدام بلا نها دارید امرو ز؟


Ellen van der Kolk & Mahsa Jahish, vertaald in het Farsi door Mirwais Jahish,
ter gelegenheid van de open dag van ‘De kleine wereld’ 18 september 2021

Lef

Er wordt ergens op gewacht vandaag
bijna niemand die verwacht waar ik aan dacht

Wij lijken op elkaar, maar
schreeuwen dat jullie doen als het moet
en wijzen (want dat werkt nou eenmaal best wel goed)
blijven bonzen schoppen durven vragen
beetje bazen verbazen gemeenteraden
pesten zeggen dat hopen en proberen
niet genoeg meer is, dat zal ze leren.

Er moeten bomen in de klas, gras op het plein
er passen makkelijk een stuk of wat konijnen naast de kapstok,
varkens in de modder onderaan de schommels
in de pauze zelfgemolken melk van de schoolkoe uit het speelgoedschuurtje.

Kletsende pakken vallen (heel verstandig) stil
niks keurig knikken, jullie weten hoe het werkt

Ik lijk wel, maar blijf jaloers op jullie lef.

Ter gelegenheid van de installatie van de kinderburgemeesters Seppe en Kathy, 8 september 2021

Ellen van der Kolk

Jaloers

Wij horen toch tenminste naast het schilderij
als gelijkwaardige collega’s, partners in crime
of desnoods naast de deurmat als ontvangstcomité
maar nee, wij worden verstopt met haren onder water
in half kapotte potjes naast de kraan.

Het doek krijgt alle ogen
paradeert met kleuren
alsof het lichaamseigen veren zijn
die hij uitslaat voor bekijks.

Zoek toch, kijk ons aan alsjeblieft
groet, of zwaai waar mogelijk ook even
en waag het niet
het doek tot daar aan toe
maar waag het niet ons te vergeten.

Foto: Catalijn Adelmund

Ter gelegenheid van Montmartre aan de Rijn, 21 augustus 2021

Ellen van der Kolk

Het lukt

Het duwt de derailleur de ketting
roept ratelend mijn naam

Het hoopt het hoofd het hoopt niet eens
het denkt nog net genoeg: blijf gaan

Ze voelen de benen ze moeten zo meteen
nee nu nog even meer dan goed is geven

Het stroomt het zweet het zout het plakt
het prikt het maakt de schakels glad

Het stuurt het stuur het houdt de renner
wel gebogen maar ik buig niet

Het ligt de weg het ligt het ligt er maar te liggen
strekt zich uit alsof het uitstelt mij te missen

Het wiel het achterste het volgt het voorste
tot de trappers scheel zien zo dichtbij

De finishlijn

Het grijnst het goud het grijpt de hand het
hangt de hals het lacht het weet ik leef ik blijf.

ter gelegenheid van de huldiging van Annemiek van Vleuten, 5 augustus 2021

Ellen van der Kolk

Hier ben ik dan, hallo

Ik hoor mezelf praten met een stem
die hardop scheller is dan in mijn hoofd
ik hoor mezelf mijn denken delen
en voor ik het weet denken jullie te weten wie ik ben en

Misschien ben ik zo gewoon, apart
want wie ben ik die beter weet dan wie mij ziet
hier in een laadbak.

Ik heb dagen amper geslapen
van het besef dat ik hier sta, jij daar
wat een macht die ik mag gebruiken.

Voor een net te lange stilte
waardoor jij niet weet of je moet klappen of toch wachten
omdat ik weer mijn tekst vergat.

En dat is nog niet alles, kijk
de macht is wederzijds
of je luistert, afdwaalt naar mijn kleren, schoenen van de buurvrouw
bepaal jij
dat je zelfs al wacht tot je eindelijk mag
want hier kwam je toch niet voor
sorry dan daarvoor.

Laten we in elk geval afspreken
dat ik mijn denken deel
in ruil voor jouw vertrouwen in de stilte
tussen de zinnen begint
het verhaal pas echt.

bij de voordracht op de Dodge in het centrum van Wageningen, mijn eerste optreden als stadsdichter, 10 juli 2021

Ellen van der Kolk

En ineens hang ik erin

Mistig met zonder sterren is het
kan mijn voeten niet eens zien vanaf hier, laat staan de grond
nou fijn zo. Hang hier nog wel even
de zon is ver te zoeken en alleen kom ik niet los.

Het was geen domme actie
of nou ja, geen bewuste denk ik toch
ineens hoorde ik het waaien en kraken
(als een gek, niet gek dus dat ik wakker werd)
en voelde mijn voeten en armen tussen de latten haken
gelukkig redelijk stevig want het gaat hoog hoor
hoger dan de mist ligt hang ik in de bovenste helft
heb geen hoogtevrees, valt dat weer mee.

Ik draag nooit pyjama’s, krijg daar nachtmerries van
Heb spijt nu want het is koud zo en straks zien ze me en dat zou fijn zijn natuurlijk
maar mijn ondergoed. Nou goed, beter dan naakt dat is waar.

Hoor nu ook het zuchten, zeker moe gedraaid
vind het eerst nog schattig, daarna vooral verontrustend
het zuchten wordt kuchen wordt lachen wordt ‘Hallo jij ook hier.’
Hè wie praat daar?

Twee wieken lager (nee hoger, ik weet niet)
heeft een blijkbaar al ervaren molenaar een binnenpretje
ik wil al beginnen met vragen (wat er grappig is onder andere)
maar het lachen wordt met de ronde harder
kom er met geen woord bovenuit
vandaar dat ik maar wat onhandig luister.
‘Gieren tot je erbij neervalt, wat dacht je dan waarom je hier hangt?’

Voel me een domme koe dat ik niet wist wat of hoe
de molen ‘s nachts, klinkt raar nu maar dan slaap ik
in een bed onder een dak boven een trap
draai dan wel, maar zoals dat dacht ik moet, horizontaal.

Mijn mede-molenaar snurkt zacht
durf eindelijk dus gier tot de zon ons ziet
val uitgemaald in slaap.

ter gelegenheid van de stadsdichtersverkiezing, 30 juni 2021

Ellen van der Kolk

Ik weet het nog gewoon

Ik weet het nog, ik weet het nog gewoon
de wekelijkse slaapwandeling deze donderdagnacht
hoe het ging ongeveer, hoe ging het toch

Ik liep als het ware uit mijn kamer
via de trappen, donkere straten
naar de lege dijk
wilde terug om sokken te halen
want ik kreeg het koud
het bizarre was dat dat niet ging
het ging gewoonweg niet

Mijn benen zweefden daarentegen
met mijn schouders halverwege mijn middel
en mijn vingers langs mijn kuiten
de uiterwaarden in
het werd een vreemde, vreemde nacht

Er waren paarden, een stuk of zeven, acht
hinnikende paarden dreven in de drek
ze keken, terwijl ik traag dichterbij kwam,
alsof ik ze kon redden. Het gekke was dat ik
daar alleen maar een soort van doelloos hing
(achteraf volkomen logisch, want ik sliep
maar goed, dat wist ik toen nog niet)

Ineens was er een vrouw
in rode overall en met felgroene ogen
ze trok aan een ketting stuk voor stuk
de complete kudde op het droge
ja, zo ging het die nacht
zo ging het ongeveer precies
dat ik dat nog weet, niet te geloven gewoon.

Ik herkende die volgende dag
de felgroene ogen op het plein bij de kerk
ze bleken van de nieuwe burgermeester
tot zo ver niks geks toch, zou je zeggen
maar dan

Ik had het niet meer toen ik zag
dat de drek nog kleefde aan de ketting om haar hals
verzoop zowat in troebele gedachten
en ik weet het niet meer maar
het was een prachtige, prachtige nacht.

ter gelegenheid van de stadsdichtersverkiezing, 30 juni 2021

Ellen van der Kolk
SLUIT
SLUIT