Dat gordijnen geen grens zijn

Je zat stil en je tuurde naar de rode gordijnen
Grote mensen, ze zeiden: dit, is het theater,
tot daar waar dat koord loopt, publiek
op de stoelen in de rijen ervoor.
Dit hier is het echte, dat daar het decor.

Maar toen het begon, was je verdwenen
je zat op je stoel maar je speelde het spel.
Je zong zonder zingen, je deed mee zonder script,
je sprong zonder springen, je begreep zonder grip.

Je luisterde naar het verhaal dat ontstond,
rondom de spelers en hun dans op de vloer.
Het ontplooide zich ver voorbij de gordijnen,
het verhaal dat gekleed ging in dieprood velours.

Gordijnen, ze sloten, ze vormden het einde
en bogen een brug naar de werkelijkheid terug,
maar voor jou was het anders, schuin hield
je je hoofd en je keek als verdoofd, want je
had iets herkend.

Buiten, onder sterren, je stelde je voor
dat gordijnen geen grens zijn, en het doek
geen decor, maar dat spelers ook mens
zijn, en je danste en danste en danste,
maar door.

Ivanka de Ruijter

– Ter gelegenheid van het Cultuurdebat op zaterdag 10 maart 2018

Schaatsen op de Nevengeul

Daar waar het hek staat, daar staan alle fietsen.
Ze wachten als ouders in de kou op hun kroost,
de fietstassen leeg van de wol en de wanten
van wij die straks terugkeren, verblijd en verbloosd.
Maar nu zwieren we nog en we krommen voorover,
we buigen ons diep over de spiegel van glas,
we schrijven in cirkels over wat we verlangen
en verstoppen in barsten: dat wat er nooit was.

De één weet van wiebel, de ander van wanten,
twee anderen blijven het liefst op de brug.
En kijken naar wie het al kan, pootje-over,
ze wuiven naar wie wankelt, een meisje zwaait terug.
Haar ouders op hun billen, ze geven een voorbeeld,
verruilen de slee voor een stoel aan de hand.
En oefenen met haar tot het blauw op de glimlach,
dan terug naar de schoenen, terug naar het strand.

Op een dag is het zomer, maar nu nog lang niet.
Nu duiken we nog in een lach om de val.
We delen de brug en de wil om te schaatsen,
en zien grote schoonheid in wat dooien zal.
Langzaam wordt het later, zakt de zon op het ijs,
nog even tot de toren het donker zal slaan.
Terwijl we weer inpakken, terug naar de fietsen,
vraagt iets in ons dringend: kunnen we morgen nog gaan?

 

Ivanka de Ruijter
3 maart 2018, bij de schaatspret op de Nevengeul.

 

 

Sporen

Hoor je de galm van de klok in de toren?
We kijken omhoog, naar waar de trilling begon
En voelen haar golven langs onze muren,
Langs glazenwasladders naar het wolkenplafond.

Hoor je de spreker die gonsde naast die toren?
Hij stond op het plein met zijn publiek eromheen,
Hij sprak over kansen die komen en dromen
In woorden die bonden, niet aan mensen alleen.

Maar ook aan de deuren, die ooit klopjes kregen
Aan de fluistering van een vaarwel in de gang
Aan iedereen die besloot niet in zijn huis te gaan wonen
Maar in de wereld, of in een plooi van de tijd, zonder plan.

Zie je de kuiltjes in de wangen van het zand,
Voetstappen van hij die de woorden ontgon?
Zie je het platgeslagen gras langs de waterkant?
De vingerafdrukken van wat hier ooit begon.

Zie je de man die de stad repareerde?
Vermaard om de prachtige jas die hij droeg,
Maar befaamder nog om de taal die hij kende
En leerde aan iedereen die erom vroeg.

Hij dichtte de gaten met klinkers op muren
Hij bakte de stenen uit onze rivier
Hij wandelde diepe woordensporen
Hij zette de deur naar zijn huis op een kier.

Hij was een dichter, voor deze stad
Hij was haar ogen en haar oren
En langs haar wolken, stoep en oevers
Lopen voor altijd ook zijn sporen.

Ivanka de Ruijter

– Ter gelegenheid van het afscheid van stadsdichter Martijn Adelmund (2015-2018)

Omnibus | Ivanka de Ruijter nieuwe stadsdichter

Ivanka de Ruijter nieuwe stadsdichter Ivanka de Ruijter is de komende drie jaar stadsdichter van Wageningen. Ivanka nam het publiek in haar gedicht mee op een tocht door de stad, en werd werd door de jury als beste verkozen. De overige zes kandidaten waren Pascal van Gijtenbeek, Tim Horsting, Marjel Neefjes, Marisabel Pardo, Henk van Ruitenbeek en Pauline Schakenbos.

‘Het was geen eenvoudige keuze’, zo sprak juryvoorzitter Lara de Brito bij de bekendmaking. ‘Zonder de anderen te kort te doen, er zijn twee dichters die je als stadsdichter zou willen benoemen. Daarom vindt de jury het op zijn plaats om Tim Horsting een eervolle vermelding toe te kennen.’

Bekijk de video van de uitslag en het winnende gedicht op: https://www.gelderlander.nl/de-vallei/ivanka-24-dichter-van-haar-eigen-stad-wageningen~a4e2aa21/

Omnibus

Aan een strandje langs de Rijn
drijft een raamkozijn zonder ruit.
Het heeft vast een lang verleden,
rust hier tussen de kribben uit

van alles dat het heeft bekeken
en van zijn zware dobberpad.
Het heeft besloten hier te pozen:
op deze grens, bij deze stad,

net als het water in de haven.
Naast groene silo’s vol beschuit
spiegelt een rust in duizend strepen
Vóór alles verder moet, vooruit.

Wat werd gezien aan deze oevers?
En welke verhalen zijn afgereisd?
Wat keerde terug per boot per bus,
Per Bello, per boek – wie werd hier wijs?

Welke verhalen verbeelden de stad?
Wie speelde bij de beeldfontein?
Wat werd er door welk raam gezien?
Wie danste op ons marktplein?

Ik wens de stad een omnibus
met al haar duizenden verhalen
die gidst naar alle oude stegen
en u, zo dan en nu, laat dwalen.

Langs het Emmapark, waar zíj soms
uit het raam kijkt, heel verliefd,
richting vijf hoge populieren,
wachtend op een liefdesbrief.

Langs het jongetje in Noordwest,
de Columbus van het Hooilandplein.
Midden op zijn stenen boot
is hij de jongste kapitein.

Ik wens de stad een omnibus
die haar legendes bindt,
waarmee je wegen naar de randen
van haar verhalennetwerk vindt.

Daar verrijzen de gebouwen,

kenniskubussen langs de stad,
waarin zich antwoorden ontvouwen
die nooit iemand heeft gehad.

Een jonggeleerde zal je vinden,
die uitziet vanaf zijn flat,
stille bussen ziet passeren
als water stromend langs groen bed.

In onze Rijn vertrekt het raampje,
op zoek naar een nieuw perspectief,
terwijl zíj, glimlachend in de zon,
geniet van een lange liefdesbrief.

Het jongetje koerst richting huis,
vaart dapper op acht knopen.
Zo laat hij zien dat elke reis
in lemniscaat zal lopen.

Hier rijdt de bus de kringloop rond
als nieuwe navelstreng,
die berg, en plein en haven zal
verbinden met de Eng.

Maar ik wens de stad een omnibus
die haar verhalen vat,
Zodat iedereen die daarin reist of leest,
thuis komt in onze stad.

Emmaüsgangers

(een modern Awater)

Op dat moment zag ik een vrouw
Ik denk dat haar naam Elke was
Haar tas van lappen aan elkaar genaaid
deed me haar herkennen.
’t Moest vlak na Pasen zijn geweest.
Het was in ‘n etablissement
Een uitbater van welvaartsresten
waar alles nog de adem draagt
van mensen die ooit zijn geweest
een gat erin, een oor eraf, een vlek,
spullen met persoonlijkheid
een karakter, zo je wilt: een ziel

En op deze plek,
te midden van die schemerlevens
zag ik Elke. Ze hield een koffiepot
omhoog en keurde hem, waarna het zicht
op haar me werd ontnomen,
een stroom van mensen tussen haar en mij.
Buiten schoof een wolk voorbij
en langzaam voor de zomerzon.
Ik riep haar nog, maar niemand
heeft ooit wat ik roep verstaan.

Mijn reis was dusver lang geweest.
door sleetse steden, opgepoetst
waar men zeewier eet
en slechts te zwaaien hoeft
met centen, alles koopt,
behalve dan een reisgenoot.

Nu waad ik met hordes lege mensen
door de oude welvaartsresten
op zoek naar onze eigenheid.
Karkassen van bankstellen,
door roest en stof bijeengehouden:
langzaam word ik heel.

Elke, waarom kijk je niet?
Zo ging ik in haar spoor
dwalend achter Elke aan,
die als een pop zo drijvend op de stroom
van lijven langs al dat spul moest gaan,
het zaaltje uit de trap weer af
en naar buiten in de regen
waar bomen druipen,
plassen silhouetten.

Ik volgde vrijwel ongemerkt
in’t ritme van de pijpenstelen
langs parkeerplaatsen waar
meters blik aan ’t roesten was.
Ik was haar buiten kwijt,
ze was de straathoek omgeslagen.
Enige afstand verder
zag ik net de deur zich sluiten.
Ik volgde haar en ging naar binnen,
maar tevergeefs, ze was verdwenen
tussen karrevrachten kleding,
in lompen opgegaan.

Ik vond op deze plek een boek, beneden
en zag wat daarin stond geschreven.
De tekst vervulde mij.
Nu neem ik Elke’s boodschap met me mee:
‘Het gaat niet om wat is,
maar om wat iets zou kunnen zijn’.
Een gat erin, een oor eraf, een vlek:

Wij zijn de koffiepot,
wij zijn de Emmaüsgangers.

Martijn Adelmund
Stadsdichter van Wageningen

Geschreven in ruil voor een koffiezetapparaat, ter gelegenheid van het openen van een Nieuwe vestiging van Emmaus Wageningen.

Bij de Wageningse Eng

© Catalijn Adelmund

Ik ga door het hek en pluk juwelen
het schommelen van de dorre mais
zo ver mijn oog voert blokpercelen
uit bruine aarden moederschoot

Ik zie witte huisjes, rode daken
de wind voert met zich mee de regen
in dit verhoogde akkerland
waar perken wilde bloemen spelen

Mijn hoofd wordt leeg, het lijnenspel
de ploegvoor met het wolkendek
is alles wat mij nog omvat
mijn jas is zwaarder door de regen

Toch ben ik lichter dan voorheen
als ik de poort weer naast me sluit
mijn fietstas vol van kalebas
drijfnat fluitend terug naar huis.


Martijn Adelmund

Stadsdichter

Bij de Dag van de Wageningse Eng, 7 oktober 2017

Vertrouwen

‘Onderzoeken of vertrouwen werkt’
dat doet me denken aan die stakker
die de liefde wilde meten

kussen
twee – in de ochtend
een bij thuiskomst
’s avonds niet
steelse blikken – één

Nog voor de resultaten bleken was het
onderzoeksobject – zijn vrouw – verdwenen
met bankstel en cd-collectie

‘Onderzoeken of vertrouwen werkt’
dat doet me denken aan die man die
op een briefje aan zijn muur
het woordje ‘aandacht’ had geschreven
zijn planten zijn nu dor en grauw
want net als liefde en vertrouwen
werkt het minder op papier

‘Onderzoeken of vertrouwen werkt’
dat doet me denken, ‘t is toch sterk
kan eigenlijk maar op één manier
Vertrouwen.

Martijn Adelmund
Stadsdichter van Wageningen
bij de start van het onderzoek ‘Vertrouwen werkt’.